Terug naar de interviews

Ouder op afstand

Toegevoegd op : 24 mei 2007

Irma: "Toegegeven, de situatie was verre van ideaal om goed voor mijn kind te kunnen zorgen, nadat ik zo onverwachts met mijn eerste zwangerschap werd geconfronteerd. Ik had veel problemen aan mijn hoofd maar slaagde er desondanks wel in om de baby eten te geven, te kleden en te verzorgen. Toch bleek dat uiteindelijk niet genoeg te zijn. Mijn dochter was een baby van 5 maanden toen op een dag de huisarts en de politie voor de deur stonden. Mijn dochter is toen naar een pleeggezin gebracht. Naast de onopgeloste problemen die ik al had, raakt ik nu ook nog mijn kind kwijt."

“Ik dacht jarenlang dat de pleegmoeder van mijn dochters mijn kinderen wilde inpikken. Boosheid en gevoelens van machteloosheid wisselde elkaar af. Ik vroeg me vooral af waarom ik mijn kind niet mocht houden en een andere moeder voor haar moest zorgen. De contacten tussen de pleegouders en mij leverden spanningen op.
Ik kreeg nog drie kinderen. Twee meisjes kwamen op mijn verzoek toch bij dezelfde pleegouders terecht omdat ik vond dat de kinderen beter af waren in één gezin dan apart. Mijn enige zoontje verdronk op 4-jarige leeftijd.
In de loop der jaren moest ik er aan wennen dat mijn kinderen niet bij mij zouden opgroeien. Heel langzamerhand begreep ik dat er meer kwam kijken bij het krijgen van kinderen: in huis moet het netjes zijn en dat was het niet bij mij. Ook vind ik dat kinderen regels nodig hebben zodat zij zich kunnen ontwikkelen en dat kan ik hen niet geven.

Het opvoeden van kinderen is niet mijn sterkste kant. Ik wil mijn kinderen een andere jeugd meegeven dan mij zelf is overkomen. Ik zeg tegen de kinderen dat de pleegmoeder de zorgmoeder is en ik de baarmoeder.
Het contact met de pleegouders is in de loop der jaren verbeterd. Ik weet dat de pleegmoeder het beste met haar kinderen voor heeft en zie dat mijn kinderen gelukkig zijn. Ik moet er niet aan denken dat ik een taak in de opvoeding zou hebben of oplossingen moet bedenken voor een probleem rondom mijn kinderen. Dat klinkt alsof ik dat niet eens zou willen, maar nee, het is goed zo, ik had het niet gekund. Ik kom op verjaardagen op visite en soms bel ik tussendoor. Ik wil niet vaker contact met de kinderen hebben en dat vind ik ook niet nodig.
Als ik op bezoek ben betrekt de pleegmoeder mij wel bij zaken, maar ik hoef er niets mee, en daar schaam ik me niet meer voor.
Ik vind dat de hulpverlening aan mijn kinderen in de loop der jaren wel beter is geworden. Vroeger had je maar één persoon te maken en nu zijn er vaak meer specialisten. Andere mensen vinden het welzijn van mijn kind ook belangrijk.

Ik wil pleegouders adviseren om het contact met de ouders van het kind altijd open te houden. Dit is niet altijd makkelijk, maar het gaat uiteindelijk wel om mijn kind.
Het negatief uiten van pleegouders over de ouders van het pleegkind vind ik altijd fout. Ik kan niet op bezoek komen als ik in de ogen van mijn kind lees wat ik allemaal fout heb gedaan. Bovendien vind ik dat het niet aan mijn kind ligt, dat het niet altijd klikt tussen ouders en pleegouders.
Het meest belangrijke vind ik dat als pleegouders twijfel hebben over hoe ze met mijn kind om moeten gaan, wat er aan scheelt, hoe het verder moet, dat pleegouders dan alsjeblieft hulp vragen.

Ik ben nu gelukkig omdat ik niet meer in de rotzooi zit waarin ik jaren in zat. Dat komt ook door mijn nieuwe vriend. Ik ben trots op mijn kinderen, ze ontwikkelen zich redelijk tot goed in het pleeggezin.
Hoe kijken mijn kinderen nu tegen mij aan? Het contact met een van mijn dochters is juist beter geworden nadat ik vrijwillig afstand had genomen van de voogdij. Mijn dochter voelde aan dat ik dat voor haar toekomst heb gedaan.”


Terug naar de interviews