Terug naar de interviews

Gezinshuisouder: wezenlijk anders dan pleegouder

Toegevoegd op : 31 mei 2013

Henny Noordstra is pleegouder én gezinshuisouder. Op het oog zijn beide hulpvarianten identiek: 24-uursopvang in eigen huis voor kinderen die niet bij hun ouders kunnen wonen. Maar formeel is dat de enige overeenkomst. Pleegouders zijn vrijwilligers, gezinshuisouders zijn zorgprofessionals in dienst van een Jeugd & Opvoedhulp. Henny vertelt wat dat in de praktijk betekent.

Eigen regie
“Het verschil zit vooral in de werkwijze”, aldus Henny. “Als pleegouder van een langdurige plaatsing richt ik mij volledig op de opvoeding van het kind, terwijl alle andere taken door de pleegzorgbegeleider uitgevoerd worden: rapportages, plan van aanpak, aanwezig zijn bij evaluaties, etc. Gezinshuisouders zijn daar zelf verantwoordelijk voor. Het is dus veel meer werk”, ondervindt Henny. “Maar daar ben ik blij mee. Nu kan ik me veel meer inzetten voor het kind, náást de opvoeding. Bij therapieën, evaluaties en rapportages. Ook kan ik mijn eigen mening en adviezen kwijt, en kan ik veel meer sturen op wat in mijn ogen goed is voor het kind. Als gezinshuisouder heb je dus de plichten van een hulpverlener in een instelling, maar ook de rechten, van een hulpverlener, zoals vakantiedagen.”

Toewerken naar vervolgplaatsing
“Een ander belangrijk verschil betreft het doel van de hulp: hoewel elke hulpvorm zich principieel richt op terugkeer van het kind naar de eigen ouders, werken wij in ons gezinshuis structureel toe naar een vervolgplaatsing”, aldus Henny. “Dat kunnen de eigen ouders zijn, maar ook pleegouders. Er zijn ook gezinshuizen waar kinderen verder opgroeien. Een gezinshuis is dan ook een kleinschalig alternatief voor grootschalige opvang in de organisatie, en geen ‘pleegzorg plus’-variant.”

Open over verschillen
De gezinshuisouder is dus wezenlijk anders dan een pleegouder. Hoewel, zegt Henny: “In mijn ogen is dat verschil alleen formeel, niet gevoelsmatig! Alle kinderen die bij ons in huis komen, pleegkind of gezinshuiskind, worden precies hetzelfde behandeld. Hoe lang het kind ook blijft, ze gaan allemaal mee op vakantie. Ze zijn dus écht onderdeel van het gezin.”
Hoe gaan de kinderen zelf om met de verschillen, bijvoorbeeld in toekomstperspectief? “Daar zijn we heel open in. Het ene kind kan terug naar de eigen ouders, het andere niet. Dat weten ze van elkaar, en we praten er veel over. Dat wil niet zeggen dat het altijd makkelijk is, maar er is duidelijkheid over. Dat helpt enorm om ermee om te gaan.”


Terug naar de interviews