Terug naar de interviews

Esthers verhaal

Toegevoegd op : 1 november 2013

Ik ben Esther, 20 jaar oud en woon nog in een pleeggezin. Op mijn 16e ben ik uit huis gegaan. Ik heb eerst bij een vriend en zijn moeder gewoond, dat was geen goede plek. Het ging niet goed met mij. Vervolgens werd ik in een internaat geplaatst. Daar liep ik steeds weg en dus werd ik een gesloten jeugdinstelling geplaatst. Op dat moment zag ik dat helemaal niet zitten, maar achteraf zie ik dat het een goede beslissing was. De volgende stap zou begeleide kamerbewoning zijn, maar toen kwam het aanbod van mijn vriendin dat ik bij hen mocht komen wonen.

Haar ouders zouden dat zeker goedvinden en dat klopte ook. Ik kende het gezin al, maar ik ben er voor de officiële plaatsing nog wel een paar keer op verlof heen geweest. Ik voelde me al snel vertrouwd binnen dit gezin met twee eigen kinderen. Hun houding heeft daar zeker aan meegewerkt. Ze zeiden ook: ‘we hebben drie dochters’.
In dit gezin is er eigenlijk nooit ruzie, over kan over gepraat worden en ze doen veel samen. Voor mij was vooral praten in het begin moeilijk, dat ik van huis uit niet zo gewend. Maar ik leer dat steeds beter. Vooral mijn pleegvader heeft me geleerd om te praten over wat me dwars zit en open te zijn. Behalve praten en open zijn, verschillen de normen en waarden niet zo veel van mijn eigen gezin. Binnen vier maanden had ik het gevoel in dit gezin wil ik wel blijven wonen. Ik voelde me thuis, kreeg liefde, vertrouwen en bescherming. Ze behandelen mij als hun eigen kind.

Ik was bijna 18 jaar toen ik in dit gezin werd geplaatst, maar gelukkig kon ik hier langer blijven wonen en kon er gebruik gemaakt worden van verlengde pleegzorg. Op mijn 18e had ik ook nog niet zelfstandig kunnen wonen. Door alles wat ik meegemaakt heb, was het belangrijkste om binnen de bescherming van een gezin te leren mijn emoties te uiten en zelfstandig te worden. Ik moest leren liefde te krijgen, me onafhankelijk van anderen op te stellen, eigen keuzes te maken, maar vooral ook om te genieten.

Ik kon niet meer bij mijn ouders thuis wonen. Mijn moeder zie ik ongeveer één keer in de week. Zij vindt het wel moeilijk dat ik niet thuis woon. Mijn vader heeft er wel begrip voor. Het is wel belangrijk dat ouders instemmen met een plaatsing, maar nog belangrijker dat je zelf het gevoel hebt op je plek te zitten.

Wat ik uit het pleeggezin mee wil nemen: is mijn mening vertellen, zeggen waar ik mee zit, me aan afspraken houden en open en transparant zijn. Mijn pleeggezin zal voor mij ook een netwerk blijven waar ik op terug kan vallen. Ook bij hun familie hoor ik erbij.
Deze plaatsing is voor mij succesvol, omdat dit gezin mij de kans heeft gegeven helemaal mezelf te kunnen zijn, me ook de ruimte heeft gegeven om uit te zoeken wie ik ben en wat ik wil: ‘Je mag zijn wie je bent, met alle beschadigingen die je hebt opgedaan.’
Ik doe een opleiding Sociaal Agogisch Werk. Deze keuze heeft zeker te maken met mijn achtergrond. Ik wil anderen helpen hun problemen op een juiste manier aan te pakken en daarbij ondersteuning geven. Vorig jaar heb ik stage gelopen op een school voor speciaal basisonderwijs. Daar ben ik ook veel pleegkinderen tegengekomen. Het is belangrijk dat ook een pleegkind het gevoel heeft ‘een gewoon kind te zijn en dat het niet altijd met het feit dat hij pleegkind is geconfronteerd wordt.
Ik wil aan het werk binnen de hulpverlening, jongeren motiveren om het goed te doen. Maar eerst ga ik waarschijnlijk met mijn vriendin een poos in het buitenland werken. De band met mijn vriendin is gelukkig alleen maar hechter geworden sinds ik bij hen ben komen wonen.

Aandachtpunten en aanbevelingen van Esther:
Voor Esther was het belangrijk dat ze min of meer zelf haar pleeggezin kon uitzoeken.
Zij vindt het belangrijk dat pleegouders je de ruimte geven om jezelf te zijn.
Ze benadrukt dat pleegkinderen niet steeds geconfronteerd moeten worden met het feit dat ze pleegkind zijn.
Ze vindt het verder belangrijk dat de hulpverlener regelmatig contact heeft met het pleegkind.

Algemeen aandachtspunt:
Veel jongeren redden het op hun 18e niet zonder de steun van hun ouders, maar voor pleegkinderen ligt dit nog moeilijker. Verlengde hulpverlening met pleegzorg tot bijvoorbeeld hun 23ste geeft hen meer kansen op een stabiele toekomst.

Dit verhaal is overgenomen uit het boekje 'Hartverwarmend’- verhalen door en over pleegkinderen opgetekend door Femmy Pawironadi-Schonewille, april 2012.


Terug naar de interviews