Terug naar de dagboeken

Snoetjespoetsen

Toegevoegd op : 30 januari 2012 in het dagboek van Pleegvader Maarten

Enkele weken geleden schreef ik het verhaal ‘Weebree’. Daar kreeg ik positieve reacties op. Waarvoor dank, lieve lezers. Vooral dat jongens van nature goor zijn, was blijkbaar herkenbaar. Een vrouw schreef dat ze zelf alleen dochters heeft én sinds kort een pleegzoon. Ze had met geamuseerde verbazing ontdekt dat er een soort kleine Neanderthaler bij haar ingetrokken was. Er ging een ranzige wereld voor haar open, die zij als meidenmoeder nog niet eerder gezien had. Ik kan u uit die wereld nog wel meer voorbeelden geven, en dat ga ik doen ook. Maar eerst even de achterliggende gedachte.

Weet u, ik ben er meer en meer van overtuigd geraakt dat mannen sinds de oertijd eigenlijk niet echt meer geëvolueerd zijn. Als mannen eenmaal volwassen zijn, is het hen meestal wel duidelijk dat er een zekere mate van beschaving van hen verwacht wordt.
Maar diep van binnen zit de oerman. Deze komt incidenteel nog wel eens aan de oppervlakte bij het voetballen, op teamsurvival of bij het aansteken van de vuurkorf. Verder houdt de oerman zich gedeisd, onder vrouwelijk toezicht. Maar als mannen nog jongetjes zijn… en hun moeder is er niet bij… dan komt het oermensje al snel ten volle naar buiten. Daar heb ik ervaring mee want ik heb veel jeugdkampen begeleid. Nog steeds. Want enkele keren per jaar zijn mijn huis, tuin en omstreken het kampterrein van een jongensclub. Ouders verzorgen het brengen en halen, daartussen zijn de jongens jagers in hun eigen wereld. En het laagje vernis dat ‘beschaving’ heet gaat er dan snel van af. Niet dat ze elkaar in de pan hakken, of lomp en onvriendelijk gaan doen. Integendeel, ze vormen een übersolidaire troep wolfjes. De groteren zorgen voor de kleineren, en gezamenlijk draven ze achter de leiders aan. Ze gaan op in hun spel, in het bos of bij het vuur. En dit doet zich dan voor:

Ze wassen zich niet, en worden steeds onherkenbaarder door zand, roet, mayonaise, chocomelsnorren, nog meer zand, zelf aangebrachte camouflageschmink, Duo Penotti en crossfietskettingsmeer. Soms moet er een plassen, heeft geen zin of tijd, doet het onbewust in zijn broek en speelt gewoon verder. Iedereen ruikt toch naar houtvuur, en iedereen wil trouwens doorspelen. Maar het kan altijd gekker: Tobias droeg ’s nachts een luierbroekje, was dat ’s ochtends alweer vergeten en stapte in zijn lange spijkerbroek. Die ging ’s middags uit want het was dertig graden. Toen begon het watergevecht. Het broekje zoog zich vol, en toen Tobias nog slechts kon waggelen als een pinguïn keek hij eens omlaag en bedacht hij dat zijn moeder hem wellicht een zwembroek meegegeven zou kunnen hebben. Die kon hij echter niet vinden, dus werd het een onderbroek. Wat de andere jochies hier allemaal van vonden? Niets.
Ze houden dagenlang dezelfde kleren aan, die langzaam maar zeker de kleur van het bos aannemen wat dan weer zo zijn schutkleurtechnische voordelen heeft. Ze eten met hun handen, vegen die af aan hun haar waardoor ze dreadlocks in allerlei tinten en diktes krijgen. Ze doen braaf hun schoenen uit op de trampoline, vergeten die weer aan te doen, waardoor we uitzien op een paar smerige sokken (twee verschillende) en even later op zo mogelijk nog smeriger blote voeten. Ze hebben snotneuzen, zwarte nagels en stoere bloederige schrammen. Ze hebben afgezakte broeken met kapotte gulp, uitgelubberde gescheurde T-shirtjes en mooie zelfgemaakte speren, kruisbogen en proppenschieters. Waarop overigens klodders curry kunnen zitten.

Aan het eind van het kamp worden ze weer opgehaald. Door vaders met jaloerse blik (“ shit, was ik maar dertig jaar jonger” ). Door moeders die, elkaar meewarig aankijkend, direct hun hobby ‘snoetjespoetsen’ beginnen te praktiseren (hoe vernederend). En door zusjes die in koor “iiiew!!!” roepen. Middels douche, schoon ondergoed en pyama, antiklitshampoo, fluoridetandpasta en de volgende dag een setje kleren krijgen ze een nieuw vernislaagje. Maar achter hun kamerdeur staat de zelfgemaakte speer. Onder het bed ligt de kruisboog. En in de la de proppenschieter. ‘Mannen’ en ‘evolutie’... mwa, het is er eigenlijk nooit écht van gekomen. En dát is vooral te zien als het nog jongens zijn. Geef uw (pleeg-)oermensje maar eens de gelegenheid… en bewaar dat snoetjespoetsen nou even voor thuis. Want in het Neanderthal loopt hij echt ‘kei voorschut’ met zijn 21ste eeuwse vernislaagje.

En nu moet ik stoppen want mijn vriendin zegt dat ik moet douchen.

Maarten


Terug naar de dagboeken