Terug naar de dagboeken

Onderbuikgevoel

Toegevoegd op : 30 oktober 2013 in het dagboek van Pleegvader Maarten

Hoe zie je dat het helemaal niet goed gaat met een kind, een gezin? Ikzelf denk niet zomaar door één incident, of een paar losse observaties. Als ik een kind bijvoorbeeld mijn hulp aanbied in een winkel, en het rent schichtig naar haar moeder zonder iets te zeggen, dan zal dat kind waarschijnlijk een verlegen kind zijn of niet met vreemden mogen praten. Of mijn kop staat haar niet aan, dat kan ook nog.

Als ik een kleine jongen zie met smerige kleren, prijs ik hem gelukkig dat hij buiten mag en wil spelen, en zich met een gerust hart vies kan maken. En als hij lang haar heeft probeer ik vaak een visitekaartje aan zijn hippe ouders te slijten in de hoop daarmee een nieuw lid te werven voor mijn vereniging, de club van jongens met lang haar.
Als ik op een doordeweekse ochtend kinderen op straat zie lopen vraag ik me niet af waarom die niet op school zijn. Iedere school mag de vakantiedagen immers deels vrij inplannen, en er zijn altijd wel scholen die toevallig vandaag een studiedag voor het personeel hebben.
Iedere ouder oogt wel eens vermoeid of geïrriteerd. Opvoeden gaat niet altijd vanzelf, en kan bij tijd en wijlen zwaar of zelfs uitputtend zijn. Ieder gezin heeft wel eens een dag dat het systeem niet draait, en ieder kind zit wel eens in een periode dat het zich niet harmonieus ontwikkelt.
Ik ken ouders die onder het motto 'zolang het maar rijdt’ in een aftands Japans autootje met koektrommeldesign rondrammelen en voor verdere behoeften vooral rommelmarkt, kringloopwinkel en Marktplaats afstruinen. En tóch (of juist daarom) iedere week een flesje wijn opentrekken omdat het leven ook nog gevierd mag worden.

Geen van de afzonderlijke bovenstaande zaken zou mij per direct op het idee van een zorgmelding brengen. De laatste jaren is het publieke debat over opvoedingsproblematiek en (vermeende) kindermishandeling echter wel veranderd. 'Beter te vroeg gemeld dan te laat’ wordt steeds meer de toon. Maar dat is maar ten dele waar. Voor kinderen die in schrijnende en onveilige situaties opgroeien kan iedere melding uiteraard van groot belang zijn. Maar een onterechte of uit blikvernauwing voortkomende melding kan ook heel veel leed veroorzaken, gezinnen beschadigen, en situaties verslechteren. Waar rook is, is niet altijd vuur. Soms is er alleen mist, of sprake van een troebel netvlies.

Op een dinsdagochtend in oktober loop ik de plaatselijke supermarkt binnen. Een tenger meisje van een jaar of zes probeert wat pitloze druiven van een plateau te pakken, die daar staan om te proeven. Ze kan er echter niet bij. Als ik vraag of ik kan helpen rent ze schichtig naar haar moeder, een nog vrij jonge, geblondeerde vrouw met grote kringen onder haar ogen. “Hier blijven”, sist de vrouw.
Even later sta ik een paar gangen verder op mijn boodschappenlijstje te kijken als er een jochie van een jaar of negen naast me komt staan en een paar zakken popcorn uit het rek pakt. Hij heeft blond haar en draagt een FC-Barcelonashirtje dat zo krap zit dat de halsopening uitgescheurd is. Zijn spijkerbroek staat stijf van het vuil, en zakt af. Het is niet zo’n moderne hippe afzakbroek waar de rand van je boxershort bovenuit 'moet’ komen. De broek is gewoon twee maten te groot. Opeens hoor ik verderop iemand iets roepen. Als door een wesp gestoken veert het jongetje op, wil wegrennen en botst tegen me op. Hij ruikt naar zweet en pis. Met angstige blik kijkt hij me aan, zegt niets en rent snel weg, met zijn ene hand de popcorn en met zijn andere zijn broek vasthoudend.

Een beetje peinzend kijk ik het kind na. Even later bij de kassa zie ik hem weer. Het tengere meisje en haar moeder staan er ook. Opeens realiseer ik me dat ze bij elkaar horen, en ik krijg direct een heel raar gevoel in mijn maag. Een onderbuikgevoel dat me zegt dat hier iets helemaal fout zit. Even komt nog de vraag in me op waarom deze kinderen niet op school zijn, maar direct daarna realiseer ik me dat het in een deel van het land nog herfstvakantie is. Dit besef verandert echter niets aan mijn onderbuikgevoel. Dat wordt veroorzaakt door een optelsom van andere dingen. Het meisje staat bij de kassa en staart naar de grond, rondjes draaiend met haar ene voet. De moeder plaatst boodschappen op de band, en de kleine jongen doet hetzelfde maar dan met een twintigtal flesjes bier. Aan de andere kant van de kassa staat een pezige man met een harde blik in zijn ogen. “Schiet op man!”, snauwt hij tegen een jongen van een jaar of elf met halflang haar die de boodschappen in een plastic mand plaatst.

Als ik even later buiten kom, kijk ik onopvallend waar ze gebleven zijn. Op de parkeerplaats staat een klein gedeukt blauw autootje. De man staat bij het geopende portier en kijkt ongeduldig naar de oudste jongen, die op mij af komt sloffen met een leeg boodschappenmandje van de winkel. De jongen loopt vreemd: met gebogen hoofd, hangende schouders en een kromme rug. Hij strekt zijn benen niet helemaal en bij de stappen die hij zet wijzen de neuzen van zijn versleten sportschoenen naar binnen. Een vaal joggingpak slobbert om zijn smalle lijf. Als hij terug gesloft is naar de auto, wordt hij op het smalle achterbankje geduwd. Ook de man stapt snel in.
Als het autootje met een terminaal gereutel wegrijdt, diep in zijn vering hangend, voel ik in mijn zakken naar een pen of potlood. Maar de kentekenplaat is onleesbaar.

Maarten


Terug naar de dagboeken