Terug naar de dagboeken

Jammer

Toegevoegd op : 26 april 2010 in het dagboek van Pleegvader Maarten

"Jammer" zegt Jeremy met een verdrietig stemmetje. Vervolgens blijft het tien minuten ijzig stil. We zijn met onze bus onderweg naar huis en Jeremy's voetbalteam heeft een werkelijk dramatische middag achter de rug.

In de plaats waar Jeremy naar school gaat wordt jaarlijks een schoolvoetbaltoernooi gehouden. Alle tien basisscholen vaardigen enkele teams af waarmee op één woensdagmiddag in april een heel toernooi wordt afgewerkt. De plaatselijke voetbalclub stelt haar accommodatie ter beschikking. Daarbij zijn inbegrepen een paar eerbiedwaardige grijze mannen met eveneens grijze pantalons, gebruinde koppen, glimmend witte sportschoenen en blinkende fluitjes om hun halzen. Enkele decennia vol opvoedtrends en nieuwerwetse fratsen zijn volkomen aan deze heren voorbij gegaan, en ze leiden het toernooi met zowel strenge als rechtvaardige hand. Dit verloopt altijd perfect.

Jeremy zit op het speciaal onderwijs. Zijn school is zich heel wel bewust van het scala aan leer-, gedrags-, en opvoedproblemen dat zich onder haar leerlingenpopulatie bevindt. Conform het schoolmotto 'samen spelen samen leren’ had men in 2009 twee heel gemêleerde teams samengesteld. Sportievelingen en houten klazen, watervlugge druktemakers en trage dromers; ze speelden samen in een team. Er werd gewonnen en verloren, gescoord en bijna gescoord, gelachen en bijna gehuild. “We doen het samen! Goed zo jongens!” schreeuwde toen coach meester Piet, al hobbelend langs de zijlijn met zijn kort daarvoor geopereerde knie. Het was een prachtige dag waarop sportiviteit, plezier, sfeer en prestatie in evenwicht waren. Tijdens de friet werden de blunders verzwegen en de topmomenten herbeleefd.

Pedagogische onbenul

Zo niet dit jaar. Dit jaar heeft een of andere pedagogische onbenul verzonnen dat er een A-team en een B-team zullen zijn. Het A-team bestaat uit de beste voetballertjes van de school, allen lid van voetbalclubs. Jeremy zit in het B-team dat verder bestaat uit een stuk of twaalf jongetjes die geen bal kunnen raken, het spel niet snappen, en de conditie hebben van een groepje hoogbejaarde bolknakrokende paters met artrose.
Dat geeft niet. Maar om ze nu allemaal bij elkaar in één voetbalteam te zetten…daar moet je toch een wonderlijke geest voor hebben.
En Jeremy’s vriendjes zitten ook nog allemaal in het andere team. Al met al heeft hij met enige teleurstelling en ongerustheid naar het toernooi toegeleefd.
Terecht, zo blijkt al snel. De eerste wedstrijden worden verloren met 7-0 en 3-0. Dit praat zich snel rond en het team krijgt het etiket 'kansloze sukkels’ opgeplakt. De bloedeloze 0-0 van de derde wedstrijd maakt het er nauwelijks beter op en ik zie spanningsrimpeltjes op het beige smoeltje van Jeremy verschijnen.

Het B-team staat voor schut. Ze kunnen geen bal aannemen, laat staan schieten en komen geen moment ook maar in de buurt van het doel van de tegenstander. De keeper doet van pure schrik zijn handen voor zijn ogen als er een bal op hem afgevuurd wordt. Eén doelpunt valt doordat hij geboeid naar een voorbijvliegende merel staat te kijken.
Bij vijf spelers lijkt het erop dat hun ouders het begrip 'opvoeden’ interpreteren als 'voeden tot alles op is’. Log waggelen ze over het veld, steeds op weg naar een plek waar de bal dan al lang niet meer is. “Hoera, we mogen tegen de speklappen!” roept de volgende tegenstander. Als de stand even later 5-0 is staat coach juffrouw Corrie inmiddels met haar rug naar het veld, als een mantra steeds de woorden “ik hoor hier niet bij” te zingen.

Het wordt uiteindelijk 8-0 en Jeremy staat het huilen zeer veel nader dan het lachen. Het B-team is vandaag afgedroogd. Ze hebben niet één keer kunnen scoren, al was het maar voor de eer. Hangende koppies verlaten het veld. Hun broekjes lijken opeens belachelijk groot. Hun blitse, felgekleurde voetbalschoenen staan als lichtmetalen velgen onder een ouwe Lada. “Acht nul, acht nuh-hul, acht nul!...” zingen klasgenoten en ouders van de laatste tegenstander.
“Zullen we dan maar een frietje gaan halen?” vraag ik aan Jeremy. Hij knikt, de ogen strak gericht op de stoffige grond. De bruine krulletjes dansen in zijn bezwete nek. “Niet hier. Bij ons in het dorp.” zucht hij. Jeremy wil weg. Weg van deze onheilsplek.

Trots

Een jaar of zo geleden raakte Jeremy door flinke tegenslagen steevast erg diep in de put. Nog dagen hing hij dan in de slachtofferrol. Zijn kwetsbare zelfbeeld vertoonde geruime tijd zware kwetsuren. “Ik kan ook niks!”...
Vandaag daarentegen herstelt hij zich vrij vlot. En opeens… voel ik me trots! Trots dat hij al zoveel gegroeid is, mentaal. En, niets menselijks is mij vreemd, ook trots dat ik daar aan heb kunnen bijdragen.
“Je hoeft jezelf niets te verwijten, je hebt goed gespeeld en je best gedaan voor je team” zeg ik. Nog niet zo lang geleden was het ondenkbaar dat hij dit zou geloven en accepteren. Nog los van het feit trouwens dat hij het woord 'verwijten’ niet begrepen zou hebben. Daar is dit toernooi dan weer goed voor: het maakt zichtbaar welke grote stappen een pleegkind kan zetten! Dat vind ik trouwens een aandachtspunt voor mezelf: vooral de ontwikkelingsstappen van Jeremy niet uit het oog verliezen. Want die zijn groter dan dat ik soms in de gaten heb.

Die avond blik ik terug op de dag. Zou de school echt niet in de gaten hebben gehad dat dit team volkomen kansloos was? Zouden ze nou echt niet begrepen hebben dat, zeker bij jongetjes, het spelplezier aanmerkelijk vergroot wordt als je ook een keer kunt winnen? Of in ieder geval een vuist kunt maken en met iets minder dikke cijfers verliest? En misschien een paar keer kunt scoren, als was het dus maar voor die eer? Dat ze misschien eens hadden kunnen trainen met dit team? Onder leiding van een coach die hen steunt en oppept? En, behalve van mantra’s zingen, ook nog van voetballende jongetjes met blitse schoenen houdt, al is het maar een klein beetje?
Nee. Dit alles heeft de school helaas niet begrepen. En dat is pedagogisch onbenullig, ondoordacht en eigenlijk ook wel zielig. Maar, om met Jeremy’s woorden te spreken, bovenal heel erg jammer.

Maarten


Terug naar de dagboeken