Terug naar de dagboeken

Helemaal jezelf zijn (1)

Toegevoegd op : 13 februari 2012 in het dagboek van Pleegvader Maarten

Het is bijna Carnaval. Het feest waarover cabaretier Theo Maassen ooit opmerkte: “ Oe eige verkleeje, een gek petje opzetten en dan een paar dagen hillemal oezélf zijn, heerlijk!” Hoe het als een volslagen idioot erbij lopen nou te rijmen valt met ‘jezelf zijn’, wordt boven de rivieren doorgaans niet begrepen. Maar datzelfde geldt voor Carnaval in zijn algemeenheid. Toch klopt het wel. Met Carnaval mag iedereen er uitzien zoals hij wil, niets is te dol. En dat wil wat zeggen, vooral in dorpsgemeenschappen waar een kind in een vaal truitje of wat rafelige spijkerbroek al snel leidt tot afkeurend gefluister onder de moeders bij het schoolplein. De kern van Carnaval is eigenlijk: een paar dagen lekker los gaan, geen oordelen over wie of wat iemand is want met Carnaval zijn we allemaal gelijkwaardig. Een dag of vier ziet iedereen er uit zoals hij wil. ‘Alles’ kan.

En vooral dit ‘alles kan’ wil nog wel eens leiden tot misverstanden. Vooral Carnavalstoeristen uit andere delen van het land blijken er soms van overtuigd te zijn dat ongewenste intimiteiten opeens niet meer ongewenst zijn. En dat het opeens beregezellig is als je in voortuintjes gaat staan pissen of braken. En dat het bijdraagt aan de feestvreugde als je met zestien zatte vrienden ’s nachts om vier uur schreeuwend en slopend langs een rij bejaardenwoningen zwalkt. Maar dat is niet zo, Carnaval kent wel degelijk gedragsregels. Alleen zitten die erg verweven in het feest zelf. Je moet ze eigenlijk van jongs af aan meegekregen hebben, om ze te kennen. Er hangen geen roodgeletterde reglementen in kroegen, zalen of op straat. En het lijkt wel of Nederland in dit opzicht aan het veranderen is. Alsof alles, maar dan ook écht alles, moet kunnen wanneer het niet expliciet verboden is. Grenzeloosheid en egocentrisme leiden ertoe dat je tegenwoordig een beetje moet uitkijken als je iemand op zijn gedrag aanspreekt, want onder het mom van “zeik niet, het is toch Carnaval” heb je zo ruzie. Jammer.

Maar gelukkig zijn dit tot nu toe uitzonderingen. Meestal gaat het goed. Vooral bij het Jeugdcarnaval, dat denk ik nog het dichtst in de buurt blijft van de oorspronkelijke gedachte: een feest voor jong en oud waarbij, eh… bijna alles mag, en iedereen lekker gek doet. De ouders bij de bar, de jeugd hossend en zingend door de zaal, een feestband of leuke DJ op het podium en de allerkleinsten veilig bij de ballonnenclown in de peuterarena, waar zij niet onder de voet gelopen worden.

Wat veranderd is, is de carnavalsoutfit van de kinderen. Vroeger droegen wij een blauwe boerenkiel met stickers, en een zwart petje. Om onze hals hadden we een boerenzakdoek en twee grote witte wanten aan een touwtje, waarin we ons snoep, carnavalsgeld en consumptiebonnen stopten. Maar tegenwoordig zijn carnavalskostuums big business. Vooral de jongere jeugd loopt rond te pronken als fee, ridder, piraat, Tiroler Mädchen, Robin Hood of Ninja Turtle. Elk jaar in een nieuw kostuum, want de kwaliteit van veel verkleedspullen valt in de categorie Chinese Troep.

Als de kinderen ouder worden, zo vanaf een jaar of tien, gebeurt er iets opvallends. Veel meisjes blijven gewoon ieder jaar in een nieuwe outfit verschijnen, zij het dat die vaak wel wat hoeriger wordt. Maar veel jongens schakelen over naar de stofjas. En het is de bedoeling dat die met dikke Eddingstiften volgekliederd wordt. Met de namen van al je vrienden. En verkeringen, zo’n vier à vijf per Carnaval. Bij de stofjas dragen de mannen een tot op de draad versleten spijkerbroek. En het maakt het niet uit hoe groot de gaten zijn, of waar ze zitten. Want ter bescherming van de edele delen hebben ze een legging uit zusliefs kast gepikt, en die dragen ze eronder.

Snel oprukkend nieuw fenomeen is de felgekleurde tuinbroek, eveneens bedoeld om vol te kladderen. Voordeel: hij zakt niet af, en hij kan op de groei gekocht worden en dus jaren mee. Zodat je als jochie na een paar jaar met een hele rits namen van ex-verkeringen op je broek rondloopt. Waarmee het bij mannen immer aanwezige competitie-element weer eens opduikt. Pleegzoon Jeremy (13) heeft dit jaar zo’n nieuwe tuinbroek, in zijn lievelingskleur rood én op de groei gekocht. De Eddingstiften liggen al klaar, dus het feest kan beginnen! Wordt vervolgd.

Maarten


Terug naar de dagboeken