Terug naar de dagboeken

Handrem (2)

Toegevoegd op : 31 mei 2010 in het dagboek van Pleegvader Maarten

Pleegkinderen ontwikkelen zich moeizamer en niet vanzelfsprekend, alsof de handrem niet meer helemaal vrij komt. U heeft in het eerste deel van dit stukje al wat overpeinzingen kunnen lezen. 'Regelmatig loopt de zaak warm en staan ze tijdelijk stil' schreef ik. Ik moest er meteen aan denken toen Jeremy en ik deze week weer eens naar school probeerden te fietsen.

Even vooraf: Jeremy heeft een rode mountainbike met 24 versnellingen. Zowel fiets als eigenaar zijn in uitstekende conditie. Het “wanneer gaan we weer eens op de fiets naar school?” klinkt al weken. Het is prachtig voorjaarsweer. Geen wind, lekker zonnetje, fluitende vogels en gierende boeren.
Het is 's ochtends tien voor acht. Dit betekent dat we, geheel tegen Maartens natuur in, ruim op tijd zijn vertrokken. (Deze Maarten stond ooit bekend om zijn stelling 'Tien voor acht, da’s geen ochtend. Da’s nacht.’)

In theorie zouden pleegzoon en pleegvader nu dus in een rustig doch gestaag tempo naar school kunnen trappen, onderwijl vredig babbelend en genietend van de natuur. (“Wat is dat voor een koddige vogel pleegvader?” “Een kievit, jongen.” “Goh wat weet u toch mieters veel van vogels pleegvader.” “Zie je zijn olijke kuifje, jongen?” “Welzeker!”)

In de praktijk staat Jeremy’s gezicht op onweer. Hij trapt wat bozige slagen en houdt daarna al weer in. Vervolgens versnelt hij, remt weer af, versnelt, enzovoorts. Als u wel eens een fietstochtje maakt weet u waar dit toe leidt: totale uitputting. Het is nog vermoeiender dan een hele middag schreeuwerige tekenfilms op FoxKids kijken terwijl elders in huis een satanisch schaterende bouwvakker met giga bilspleet en dito pneumatische boorhamer je plavuizenvloer te lijf gaat en je ook nog om de haverklap gebeld wordt door uitzendkrachten met spraakdiarree die je proberen woekerhypotheken of sinistere uitvaartverzekeringen aan te smeren terwijl je net ontdekt had dat die fles goedkope wijn gisterennacht niet persé leeg had gehoeven.

Fietsen gaat het best als je een tempo kiest dat je past, en dat vervolgens zo constant mogelijk volhoudt. Jeremy weet dit. Hij begint nu trouwens ook nog mokkend te slingeren. Het ochtendverkeer bestaat uit halfwakkere, telefonerende en radiofriemelende forenzen en getatoeëerde puberjongens met monsterlijke tractoren en gigantische giertanks. Er zijn hier geen vrijliggende fietspaden en ik krijg met terugwerkende kracht een mede door angst gevoed ochtendhumeur.
“Kom op joh, een beetje doorfietsen.” (…) “Ja maar die zere kont gaat niet over als je steeds een ander tempo fietst.” (…) “Ja natuurlijk heb ik ook wel eens zadelpijn. Maar we moeten nu naar schoo-hool.” (…) “Hoezo. Die ketting is toch prima.” (…) “Had dat dan gisteren gezegd. Dan had ik hem strakker gezet.” (…) “Nee dat heb je niet gezegd.” (…) “We hebben geen tegenwind. Er is geen wind.” (…) “Als ik geen wind heb, heb jij hem ook niet. Je fietst een halve meter naast me” (…) “Nou, zestig centimeter dan. Jezus man, wat maakt dat uit.” (…) “Slinger nou toch niet zo, dadelijk val je.” (…) “Je slingert wél!” (…) “Nee dat komt niet door de fiets maar door jou.” (…) “Welles.” (…) “waarom zeur jij toch altijd zo als wij samen fietsen.” (…) “Oké, niet altijd. Maar wel vaak.” (…) “Wees nou toch eens blij dat hij eindelijk eens schijnt zeg. “ (…) “Omdat ik mijn zonnebril niet kwijtgemaakt heb dus!” (…) “Pomp ze dan op voordat je vertrekt. Je hebt goddomme toch geen polio!” (…) “Dat je spieren steeds slapper worden.” (…) “Ik fiets helemaal niet hard. Ik fiets constant! Con. Stant. Het. Zelf. De. Tem. Po!!” (…) “Stop daar maar bij dat bankje. Ik ga terug en haal de bus. Ik word hier zo vreselijk chagrijnig van zeg. Blijven wachten en niet doorfietsen hoor, want dan word ik boos!” (…) “Ja inderdaad. Nou, nóg bozer dan!”

Geladen fiets ik terug naar huis en pik Jeremy even later op met de bus. “Sorry” zegt hij timide. Hij heeft een nederlaag geleden maar begrijpt niet goed waartegen. Tijdens de rit terug naar huis heb ik mijn rust hervonden. Dit behoedt me voor a-pedagogisch gezwets als “Je doet gewoon niet je best” of “Wees toch gewoon wat opgewekter”. (Alleen dat woord 'gewoon’ al, getverdemme). “We proberen het gewoon morgen weer” zeg ik neutraal en Jeremy ontspant enigszins.

Er is de hele week geen onvertogen woord gevallen. Jeremy heeft goed geslapen en is vrolijk opgestaan. En dan zo’n fietsrit… Ogenschijnlijk vanuit het niets loopt de handrem aan en heeft hij al zijn energie nodig voor het gevecht tegen zichzelf. Er is geen winnaar. En wederom vraag ik me af wie de werkelijke tegenstanders in zijn gevecht waren: karakter, schade, of 'gewoon’ leeftijd. Of alledrie…

Maarten


Terug naar de dagboeken