Terug naar de dagboeken

Foto van een jeugd (1)

Toegevoegd op : 22 juni 2012 in het dagboek van Pleegvader Maarten

Voor mij op tafel ligt een oude luchtfoto. Gemaakt op een prachtige zomerse dag ergens halverwege jaren zeventig. Aan de korte schaduwen te zien zo rond het middaguur. Ik was een jaar of tien, en zowat mijn hele jeugd staat erop. Het huis waarin ik woonde met mijn ouders en zusjes. De was hangt buiten, de achterdeur staat open en op de stoep zit mijn hondje Loekie, dat ik een paar jaar daarvoor gevonden had en mocht houden. Op de oprit de blauwe Taunus van mijn vader. Het wit met rode aanhangertje dat herinnert aan de zomervakantiereizen. Daarin zat de tent en onze bagage. En erbovenop zaten, strak vastgebonden, onze knuffelolifantjes. Hun flaporen klapperden onderweg in de wind. Naast de schuur staat mijn eigen houten schuurtje waarin ik mijn bolderkar parkeerde.

Ook mijn speelterrein staat op de foto. De gemeentewerf, vol met stapels stenen, planken en buizen. Hier bouwden we hutten. Steeds weer opnieuw, want het bouwen van een hut was zoveel mooier dan hem af te hebben. Aan de overkant van de straat de autosloperij van de ouders van een vriendje. Er staan wel honderd wrakken vredig te roesten, het woord 'autodemontagebedrijf’ moest nog worden uitgevonden. Hier maakten we enorme stapels autobanden, waarop we zo hard mogelijk gingen zitten wiebelen. Meestal zonder te vallen. Uitgezonderd die keer dat mijn zusje haar arm brak. We reden rond in oude Dafjes, omdat we daarvan het schakelpatroon snapten. We kamden pas gedumpte auto’s uit op zoek naar shag waarmee we verschrikkelijk scherpe en smerige sigaretjes draaiden.
Naast het autobedrijf ligt een groot leeg terrein. Het winterverblijf van circus Boltini, dat op het moment dat deze foto gemaakt werd op zomertoernee was. Hier borstelde ik vaak olifanten, spoot dwergnijlpaarden af met de brandslang, of bracht de was van stalknechten naar de wasserette in ruil voor een vrijkaartje. Daar stond de grote kooi met tijgers, waar we op straffe van een pak slaag minstens drie meter uit de buurt moesten blijven.
Tijgers zijn trouwens doodsbang van onweer. Dat was leuk als er logeetjes waren. Als het dan eens rommelde klonk er al snel gebrul. Wanneer de logeetjes doodsbang vroegen wat dat voor vreselijk geluid was, antwoordden wij zo nonchalant mogelijk: “Wát? Oh dat. Dat zijn de tijgers.” Waarop de spierwit weggetrokken logeetjes direct naar huis wilden.

Op mijn vierde ging ik als verlegen 'menneke’ naar de kleuterschool links op de foto. Een paar weken had mijn grote zwarte hond (pleegouder van Loekie) nodig om uit te zoeken waar Maarten nu toch wel opeens elke dag heen ging. Toen hij uiteindelijk het spoor gevonden had sprong hij op een ochtend opeens via het openstaande raam de klas in. De kring van kleuters stoof gillend uiteen, en ik was apetrots.

Ook op de foto de bakstenen Pauluskerk. De gospelachtige 'beatmissen’ van toen hebben ongetwijfeld bijgedragen aan mijn liefde voor muziek. Ik zie de verzameling gebouwtjes van de Scouting waar ik achtereenvolgens welp, verkenner, rowan en begeleider was en waarvan ik pas diep in de jaren negentig afscheid zou nemen. De huizen van mijn vriendjes staan erop. Het bedrijf waar papa werkte. De benzinepomp waar we af en toe een ijsje mochten kopen (“25 cent knul”).

Deze foto is me zo dierbaar omdat hij het dagelijkse leven in mijn jeugd met één beeld samenvat. Maar er staan zo’n tweehonderd woningen op de foto en ik bedenk dat in sommige daarvan kinderen woonden die nu een heel ander verhaal zouden kunnen vertellen. Over een huis waar papa en mama altijd ruzie hadden, en elkaar of jou te lijf gingen. Of waar het zo’n vieze bende was dat je geen vriendjes mee naar huis durfde te nemen. Of waar vader rare spelletjes deed die je niet begreep, maar waarvan je aanvoelde dat ze niet oké waren. Het speeltuintje waar je altijd gepest of in elkaar geslagen werd omdat je in jezelf gekeerd of juist opvliegend was. Niet mee mocht doen omdat je stonk of rare armoedige kleren droeg. De omgeving van waaruit je ooit door Jeugdzorg meegenomen werd om er nooit meer terug te keren.

Een zorgeloze en gelukkige jeugd, gevat in één grote kleurenfoto. Dat dat niet altijd vanzelfsprekend is besef ik pas goed sinds mijn pleegzoon Jeremy ruim vier jaar geleden bij me kwam wonen. Ik zal eens een denkbeeldige luchtfoto maken van het leven dat hij hier heeft opgebouwd. De beschrijving leest u volgende week. En hijzelf misschien later, als hij groot is. Moge het een dierbare herinnering worden.
Wordt vervolgd.

Maarten


Terug naar de dagboeken