Terug naar de dagboeken

Een jongetje gevonden

Toegevoegd op : 19 april 2010 in het dagboek van Pleegvader Maarten

'Ik heb een jongetje gevonden, en hij blijft een jaar of tien. Ik heb een jongetje gevonden, en daarna zullen we nog wel zien.'

Om misverstanden te voorkomen: dit is slechts een versje. Ik heb geen jongetje gevonden. Ik heb hem ook niet ergens gejat (hetgeen in sommige kringen aangeduid wordt met 'gevonden’).
Nee, beste lezer. Jeremy, want zo heet hij in dit verhaal, is eerlijk aan mij toegewezen door Jeugdzorg. In het late najaar van 2007 was dat, Jeremy was nog net acht.
Vanaf het begin was duidelijk dat hij hier in principe tot zijn volwassenheid zal mogen blijven. Maar ja. Pleegkinderen en 'rotsvast vertrouwen in volwassenen’: dat is vaak een gevoelige combinatie. Op een avond, Jeremy woonde net hier, had hij wat extra bevestiging en troost nodig. Dus schudde ik, geniaal als ik ben, het versje uit mijn mouw waarmee dit stukje begint.

Gisteravond was Jeremy moe en opgewonden tegelijk. Moe van een hele zaterdag crossfietsen afraggen, en opgewonden omdat hij de volgende dag met vriend Mick en diens ouders mocht gaan zwemmen in een of ander subtropisch zwemparadijs. Bij het naar bed brengen zong ik weer eens mijn versje: “Ik heb een jongetje gevonden, en hij blijft een jaar of…” “...tien!” vulde Jeremy aan. “Oh nee, nu nog acht.”
Tja, we zijn alweer ruim twee jaar verder.
“Welnee” zeg ik. “Je blijft gewoon nog steeds minstens tien jaar. Kan jou het schelen. Je bent er nu tóch.”
“En hij blijft een jaar of… duizend!” roept Jeremy en krijgt meteen de slappe lach om zijn eigen briljante overdrijving. Tevreden nestelt hij zich in zijn mummieslaapzak met camouflageprint.
“Over duizend jaar ben je een echte mummie.” merk ik droog op. Jee, wat ben ik toch weer een onbetaalbaar leuke pleegvader vandaag.
“Ja en jij een fossiel. Je bent nu al oud” slaat Jeremy keihard toe. Hij geniet van deze verbale overwinning. Dit jongetje heeft inmiddels een goed gevoel voor humor ontwikkeld.

“Wat goed dat jullie dit doen zeg. Het is echt fantastisch dat jullie een zielig kindje helpen.” Dit zei mijn tante Anna toen ze twee jaar geleden vernam dat ik een pleegkind in huis had opgenomen.
Ik word altijd een beetje weeïg van dit soort opmerkingen. 'Zielige kindjes’, 'opoffering’, 'ze hebben al zoveel meegemaakt’, 'een kans geven’...

Het zal allemaal wel.
Laat ik eens een heel andere stelling poneren. Ik doe aan pleegzorg voor mezelf. Omdat het mijn leven verrijkt, en me met mezelf confronteert. Omdat het mij uitdaagt, en dwingt na te denken over mijn pedagogische opvattingen. Vanuit de krachten die hierdoor in mij aangeboord worden kan ik iets voor Jeremy betekenen, een opvoeder voor hem zijn. Zijn schade kan ik niet repareren, maar ik kan hem wellicht wèl een gereedschapskist geven.
'Zielige kindjes’, bêh.
Liefdadigheid heeft iets neerbuigends in zich. En medelijden is ook al geen constructief element in de opvoeding van een kind, naar mijn geheel niet bescheiden mening.

Nog even terug naar tante Anna. “Wat goed dat jullie dit doen zeg…”. Nou, van 'jullie’ is hier geen sprake. Tante had even iets gemist. De komende tijd namelijk kunt u in dit dagboek het wel en wee volgen van een heus éénouderpleeggezin.
Een echt mannengezin, ook dat nog. Even voorstellen: naast ondergetekende, pleegvader (en toekomstig fossiel dus), is er Jeremy, inmddels ruim elf. De derde man heet Wolf. Wolf is uitgerust met vier poten, een zwarte vacht, en een loeiharde blaf die ons zo nu en dan midden in de nacht met een schok integraal doet opstijgen van onze matrassen.

Opvoeden geschiedt hier volgens de aloude principes Rust, Rommel en Regelmaat. En ik wens u voor de komende tijd veel leesplezier.

Hartelijke groet, Maarten.


Terug naar de dagboeken