Terug naar de dagboeken

Een grote friet speciaal

Toegevoegd op : 2 januari 2012 in het dagboek van Pleegvader Maarten

Het is druilerig en donker als pleegzoon Jeremy en ik tegen half zes terugkomen van zijn tennistraining. Ik ben voorbereid op nattigheid of zelfs hondenpoep binnen. Want hond Scotty is alleen thuisgebleven, en dat levert hem zoveel stress op dat hij het wel eens binnen doet. Net zoals de meeste asielhonden (en menig pleegkind trouwens) heeft Scotty een enorme verlatingsangst. We nemen hem ook meestal mee als we weg moeten. Maar ja, angsten overwin je alleen door ze aan te gaan. Daarom moet hij af en toe oefenen in het alleenzijn als we niet lang wegblijven. Zoals vandaag ….

Het is vreemd dat Scotty niet als een dolle stier tegen de deur staat te springen als we de sleutel in het slot steken. En het wordt nog vreemder als het binnen in huis doodstil is. “Hij is er niet…” stamelt Jeremy verbijsterd. Als rechercheurs speuren we door het huis. Geen nattigheid, geen poep. Maar in een hoek van de keuken ligt wat afval. Scotty heeft de vuilnisbak geplunderd. Dit geeft me een zeer onbehaaglijk gevoel. Zou hij zich verwond hebben aan zo’n vlijmscherp sardinesblikje? Of gestikt zijn in een van de talloze stukjes plastic waarmee de totaal dolgedraaide verpakkingsindustrie ons lastig valt? Ligt hij ergens? We vinden echter geen bloedende danwel bewusteloze Scotty. Wél een openstaand raampje. En opeens herinner ik me een situatie van een paar weken terug. Ik monteerde een nieuwe grendel op dit raampje, en om het netjes passend te krijgen moest het vele keren open en dicht. Scotty stond toen nieuwsgierig naar het grendeltje te kijken. Blijkbaar heeft hij onthouden hoe het werkt. Want het raampje was vergrendeld toen we vertrokken.

Jeremy en ik gaan naar buiten, roepen talloze keren, beloven op luide toon koekjes, leverworst, kipkluiven en gebraden fazanten. Maar het blijft doodstil. Scotty is kwijt. We fietsen elk een eigen rondje over de zandpaden in de buurt, al fluitend en roepend. Maar het blijft wederom doodstil. Scotty is nu officieel vermist. Jeremy roept: “ ik fiets nog een grote ronde.” “Dan ga ik thuis bellen”, zeg ik. Ik ben erg ongerust. Scotty is nog niet lang genoeg bij ons om goed gehecht te zijn. Het is bovendien etenstijd, overal haasten automobilisten zich over de donkere bospaden naar huis. En hij snapt geen drol van verkeer. Twee maanden geleden is onze vorige hond gestorven. Niet nóg een keer, niet nú, alstublieft.

Thuis pak ik de telefoon en bel Amivedi, het meldpunt voor vermiste en gevonden huisdieren. “ Is dat een soort Duitse Staander?” vraagt een rustige telefoniste. “Ja!”, antwoord ik direct opgelucht. Ik krijg een telefoonnummer. Een man aan de andere kant van de lijn vertelt dat hij bij thuiskomst een paniekerige hond aantrof, die rond de auto sprong. Hij had hem maar even in de tuin in een kooi gedaan en het beest als gevonden aangemeld. Ik dank hem hartelijk en rijd direct naar hem toe, een paar kilometer verder.

Als ik het stikdonkere doodlopende paadje in wandel hoor ik opeens de stem van… Jeremy. “ Kom! Nee, nu is het klaar. Scotty, het is genoeg geweest. Nú volgen!”. Jeremy klinkt kordaat, maar niet paniekerig. “Hoe heb jij hem gevonden?”, vraag ik verrast. “Ik herkende hem aan zijn zeehondenblaf”, antwoordt Jeremy stoer. In de auto op weg naar de snackbar vertelt Jeremy dat hij Scotty aldoor hoorde blaffen, maar enige tijd rond het geluid gefietst heeft voordat hij het juiste paadje gevonden had. Toen hij eenmaal wist waar hij moest zijn, heeft hij zich gemeld bij de vinder, en Scotty aan een geleende lijn meegenomen. En toen arriveerde ik.

Mijn gedachten gaan terug naar bijna vier jaar geleden. Jeremy woonde nét hier, samen hadden we een wandeling gemaakt. Vlakbij huis koos Jeremy op zijn crossfietsje een andere route, bij het tuinhek zouden we elkaar ontmoeten. Ik was echter eerder thuis, en ging direct naar binnen. Jeremy had niet in de gaten dat ik er al was, en raakte in paniek. Huilend kwam hij toen een kwartier later aanrijden. “Ik dacht dat je was weggegaan”, was alles wat hij indertijd snikkend kon zeggen. Pleegjongetjes en asielhonden; ze lijken soms even zo veel op elkaar.
Maar nu, vier jaar later… gaat Jeremy ’s avonds in zijn eentje over de donkere bospaden, herkent de blaf van zijn hond, durft bij wildvreemden aan te kloppen en regelt de boel. Wat een kerel. “ Ik heb die mensen al bedankt, dus dat hoef jij niet meer te doen”, zegt hij terwijl hij aan zijn oorringetje friemelt. “Doe maar een grote friet speciaal, daar ben ik wel aan toe.”

Maarten


Terug naar de dagboeken