Terug naar de dagboeken

Verjaardag = de dag waarop je geboren bent

Toegevoegd op : 21 september 2011 in het dagboek van Pleegmoeder Lotte

Waar we negen jaar – voor ons gevoel toendertijd vergeefs – allerlei normen en waarden en normaligheden in Agam hebben proberen te krijgen, bárst het er nu allemaal uit: alles wat nooit lukte, lukt nu. Hij speelt alleen boven. Hij zwemt. Hij is nog zelden kwaad. Hij heeft en toont respect. Hij is beleefd en leeft zich in anderen in. Hij is gelukkig. Het spijt me dat ik er nogmaals over begin, maar dat komt omdat het Het Achtste Wereldwonder is. Héél lang hoopte ik op iets, dat een kleine verbetering zou kunnen brengen, maar op het laatst had ik dat opgegeven. Dat we ooit naar deze gelukkige Agam zouden kijken…, dat was geeneens meer denkbaar. En toch gebeurt het nu. Zijn huidskleur is prachtig, zijn ogen rustig en stabiel, zijn lichaamstaal relaxed.

Sophie en Agam zijn allebei volgende week jarig. Sophie wordt zeven. Agam tien jaar. Tien jaar geleden, een maand na Agams geboorte, zijn Koos en ik getrouwd. Agam zou pas een dik jaar later bij ons komen wonen.

“Wist jij wel dat ik geboren was al, toen jullie trouwden?” vraagt Agam.
“Nee, dat wist ik nog niet, toen. Ik kende je nog niet.”
“Als je het had geweten…, was je me dan eerder komen halen?” vraagt hij.
Ik denk even na. “Dat vind ik een moeilijke vraag,” zeg ik, “Ik had dat wel gewild, maar dat had ik niet zomaar kunnen doen. Jouw mama houdt evengoed veel van je en wilde zelf voor jouw zorgen. Zij wilde ook niet dat het zo zou lopen.”
Agam lacht als een boer met kiespijn:”Nou. Ze heeft me anders goed verknald.”
“Jij bent helemaal niet verknald. Moet je kijken hoe goed het met je gaat nu. En ik weet echt zeker dat jouw moeder wel haar best heeft gedaan…, ook al kon ze niet goed voor je zorgen.” “ Als ze zoveel van me houdt…., waar is ze dan nu?!” vraagt Agam hoofdschuddend met opgetrokken wenkbrauwen.
Alweer een lastige vraag. “Ja. Dat weet ik inderdaad ook niet. Soms doen mensen dingen die je niet begrijpt.”
We denken allebei na. “Weet je, Agam? Ik weet in ieder geval wél dat ze weet dat wij héél veel van je houden en heel goed voor je zorgen.”
“Ja, béter dan zíj,” zegt Agam kwaad.
“Ik denk ook dat ze daar nog vaak verdrietig om is; dat ze het zelf niet kon. En ik weet ook heel zeker dat ze vaak aan je denkt en van je houdt…, ook al zien we haar nooit.” “Denk je?” vraagt Agam vertwijfeld, maar ik zie dat hij dit een fijn idee vindt.
“Nee. Dat dénk ik niet. Dat weet ik zeker.”
Het is weer even stil.

“Wil je dat we haar zoeken?” vraag ik Agam. “Nee,” zegt hij meteen, “Nee, ik wil haar niet zien. Ik ben té kwaad op haar.” “Oké...,” zeg ik zachtjes, “Maar misschien wil je het over een tijdje wel. En dan kunnen we haar zoeken.” Agam haalt zijn schouders op:”Misschien.” “Ik denk ook regelmatig aan haar en aan je broertjes. Ik hoop dat het goed met ze gaat.” Agam staart naar buiten en kijkt me dan aan. Hij heeft tranen in zijn ogen:”Ik denk dat het niet goed met ze gaat,” fluistert hij.


Terug naar de dagboeken