Terug naar de dagboeken

Superscheel

Toegevoegd op : 14 februari 2011 in het dagboek van Pleegmoeder Lotte

Zoals ik al eerder schreef: Sophie is wat scheel. Eigenlijk wel behoorlijk scheel en ze wordt steeds scheler. Gek genoeg wisselt ze daarmee van oog. Het ene moment kijkt ze je aan met links, het andere moment met rechts. Vrij verwarrend, als je haar niet kent. Volgens de oogarts ziet ze alles prima, dus daar ligt het probleem niet. Maar als je zes jaar bent en in groep drie zit, wil je gewoon rechte, normale ogen. Na vele doktersbezoeken, verschillende brillen en soms juist weer géén brillen, bereikten we deze week een memorabel moment: Sophies scheelheid is niét meer te meten met de standaard ziekenhuis-apparatuur. De 'schele hoek' is te groot. Binnen een aantal weken zal ze nu geopereerd gaan worden.

Sophie ving tijdens het consult een aantal woorden op: meer, erg, nu wel heel erg, guttegut en operatie.

“Ga ik dood, mam?” vroeg ze bezorgd, toen we naar de uitgang liepen.
Ik grinnik: “Nee, gekkerd.”
“Wat dan?”
Ik stop even, trek haar mee naar een bankje in de hal en vertel:“Jij bent scheel… dat weet je, hè?”
“Ja, duh,” zegt ze, en draait een rondje met haar ogen.
“Dat je geopereerd moet worden, wisten we al, maar nu heeft de dokter net verteld dat je eigenlijk súperscheel bent!”
Ze kijkt me wat verward aan.
“Ja, echt héél scheel,” zeg ik, “En dat geeft niks, want dat gaan ze allemaal rechtzetten, maar toch…”
“Wat 'maar toch’?”
“Nou… Eigenlijk vind ik dat we dat moeten vieren. Het is best bijzonder.”
“Vieren?” vraagt ze verbaasd.
“Ja, wij gaan wat drinken in het restaurantje daar en jij mag een dikke snoep uitzoeken. Héél scheel zijn is niet leuk, maar als je het niet was geweest, had je nu geen snoep gekregen. Dus dat is dan nou nèt weer je gelukkie.”
Ze kiest chocomelk met appeltaart en vertelt de kassa-mevrouw: “We gaan even vieren dat ik súperscheel ben. Echt, héél súperscheel!”
“Jaja,” bevestig ik trots, “Echt súperscheel!”

Thuis vraagt Sophie ineens: “Mam, geloof jij in Jezus?”
Ik kijk op: “Ik weet het niet, eigenlijk. Ik denk van niet. Jij?”
“Ja, want ik roep hem 's avonds. Dan roep ik, in mijn hoofd, hard: “Jézus!!” – net zoals papa wel eens doet – en dan komt hij lekker naast me liggen.”
Ik trek mijn wenkbrauwen op en onderdruk een lach: “Dus Jezus ligt 's nachts naast jou in bed?”
“Ja. Maar niet de hele nacht,” zegt ze serieus, “want Jezus heeft het druk en hij moet vaak snel weg; meestal naar Frankrijk.”
“Goh…” zeg ik verbaasd.

“Sophie? Ligt Jezus nu naast je?” vraagt Agam als ze allebei in bed liggen.
Ik rommel nog wat op zolder en hoor hun gesprek.
“Ja, Jezus ligt bij me. Hij moet zo weg, zei hij net al. Jammer,” antwoordt Sophie.
“Kan hij ook héél even bij mij komen liggen?” vraagt Agam.
“Nee, ik heb Jezus. Jezus is van mij,” is het duidelijke antwoord, “Maar jij mag God wel… als je wil.”

Met vriendelijke groet,

Lotte


Terug naar de dagboeken