Terug naar de dagboeken

Slecht nieuws gesprek (gecensureerde versie) en de uren erna

Toegevoegd op : 20 april 2012 in het dagboek van Pleegmoeder Lotte

Mijn hart bonkt in mijn keel en ik heb het gevoel dat ik flauw zou kunnen vallen. We hebben ons gemeld en staan in de wachtkamer. Misschien moeten we vragen of er een defibrillator binnen bereik is. Die vraag schiet daadwerkelijk door me heen. Ik hoop niet dat ik een hartstilstand krijg. Het zou serieus kunnen. We worden opgehaald door de begeleider van Agam: Meneer Rood. Hij zit onder de tatoeages en heeft een zin met 'kill you' in zijn nek staan. Ruwe bolster, blanke pit. Ze hebben besloten het gesprek niet in het hoofdgebouw te doen. Mócht Agam uit zijn dak gaan en 'fysiek geholpen' moeten worden, dan hebben ze dat liever niet in de drukte.


We gaan naar een klein bijgebouwtje waar Agam en de gedragswetenschapper op ons wachten. Tijdens het wandelingetje moet ik vechten tegen mijn tranen: nu gaat het gebeuren…

De gedragswetenschapster wilde bij het gesprek zijn, omdat Agam tegen haar altijd zo keurig is. Haar vreemde ogen zouden kunnen dwingen nu, meent ze. Agam staat ons met een gespannen smoeltje op te wachten. Zijn voelsprieten staan torenhoog en hij peilt de stemming. We gaan zitten in een kaal kamertje waar we nèt alle vijf inpassen. Iedereen zwijgt, niemand van de hulpverlening leidt iets in, dus ik besluit initiatief te nemen. “Gek dit, hè Agam?” “Watte?” “Nou, dit, hier. Zo officieel.” Hij knikt gepast.

Ik moet niet inleiden. Hij wacht op dat wat hij verwacht: ellende. Even keuvelen zou wreed zijn. “Agam, papa en ik willen je wat vertellen en ik wil dat je me even uit laat praten. Daarná mag jij ook praten. Afgesproken?” Hij knikt en zegt: “Als we nou mijn pillen met 2 mg verhogen en ik dán naar huis kom, gaat alles goed.”
Ik knik dat ik hem gehoord heb: ”Nou ga ik vertellen, ok? Toen jij als baby bij ons kwam wonen, was je heel lief en ook vaak heel boos. Dat weet je,” begin ik.
“Ik deed nooit mijn best,” zegt hij. “Ik moet gewoon beter mijn best doen.”
“Ssssst. Even luisteren,” zeg ik, “We hebben heel veel dokters gevraagd ons te helpen. Heel veel pillen geprobeerd en duizend andere dingen, en papa en ik hebben ons suf gepraat over hóe we konden zorgen dat jij niet zo boos hoefde te worden.”
“Ik moet gewoon beter mijn best doen. Ik deed nooit mijn best, mam!” Hij wiebelt op zijn stoel.
“Jawel, dat deed je wel. Jij deed je best en wij ook. Het is ook niemands schúld dat het niet lukte. Het lukte gewoon niet. Hoe graag we allemaal ook wilden en hoe hard we ook probeerden. Jij en wij.”
“Haha, mam,” zegt hij stoer, “Maar vanaf nu wel, hoor. Ik moet even nóg meer mijn best doen. Geen probleem.” “Lieverd, we hebben het vorig jaar gehad over een school waar je ook moet slapen…”
“Ja, doei. Fuck you! Dat doe ik dus gewoon niet,” sist hij.
“Luister even, Agam..,” ga ik verder, “We hebben besloten dat dat tóch het beste is, nu: niet meer bij elkaar wonen, maar soms wel bij elkaar zíjn. Zoals Mitch ook niet altijd bij ons is, maar we wel ook heel veel van hem houden.”
“*ziekte-prostituee*! Je verziekt mijn leven, weet je dat?!” schreeuwt hij met zijn vuist omhoog. Vlak daarna draait hij zich om en zegt rustig tegen Koos: ”Ik hou wel van jou, hoor… Ik heb het nu even tegen mama.”

Ik glimlach verdrietig: deze 'uiteen-spelerij’ is ons zó in onze genen gaan zitten. “*Vagina-wijf*, wat zit je nou te lachen?! Ziet u, meneer Rood?!?!” Hij wendt zich tot zijn begeleider:”Mijn moeder vindt dit leuk!! Ze zit gewoon te lachen, die met het syndroom-van-Down!”

Agam krijgt van meneer Rood een waarschuwing: hij moet op zijn woorden letten. Dan slaat Agam me op mijn arm met zijn vuist. Ik heb zijn hand te pakken vlak nadat hij neerkwam: ”Niet doen, manneke… Niet doen,” zeg ik zacht. Agam krijgt nog een waarschuwing waarbij meneer Rood half overeind komt. Hij is klaar om Agam naar buiten te helpen, indien nodig.
“Kijk me eens aan, Agam,” zeg ik dwingend, “Rustig. Dat kún je.”
Hij kijkt me aan en sist:”Prostituee!”
“Agam!” zegt de gedragswetenschapster berispend.
“Hou je bek, vagina-aap!” spreekt (hij spreekt!) Agam, terwijl hij haar heel doordringend en intimiderend aankijkt.
“Agam! Stoppen, want anders is dit gesprek nu over. Hoor je me?”
“Je hebt nooit van me gehouden en je hebt mijn leven verziekt,” schreeuwt hij tegen me. Hij is over zijn toeren.

Ineens schiet ik vol. Ik schiet vol, omdat ik zijn pijn zie. Zijn woorden doen me geen barst, want die ben ik wel gewend. In feite zegt hij dat hij van ons houdt. Ik heb intens verdriet om zijn beschadiging.
“Ga lekker janken, mam. Ga lekker janken! Ik ga je ook niet bellen vanavond en zondag hoef je niet te komen,” gilt hij.
“Dat mag jij bepalen, Agam,” fluister ik, “Als je niet wil bellen, bel je niet.” Agam blijft boos en kwetsend. We moeten gaan.

Agam moet door meneer Rood 'fysiek geholpen’ worden.
“Denk maar niet dat ik je bel vanavond. Ik hoef jullie nooit meer te zien!” krijst hij, terwijl we weglopen. De tranen lopen over mijn wangen. Ik draai me om: “We houden, hoe dan ook, voor áltijd van je, Agam!” Vlak voor we de hoek omgaan, roept hij paniekerig: ”Ik bel vanavond, mam! Ik bel wel, hoor!!” We draaien ons weer om en steken ons duim op: “Tot vanavond, vriendje!”

Twee uur later belt de gedragswetenschapster. Ze begint met complimenten over hoe we het vertelden aan Agam en in één adem door vertelt ze zelden zo’n beschadigd jongetje te hebben gezien. Ze gebruikt woorden als 'zeer gekwetste ziel’ en 'ernstig beschadigd’. Agam schijnt gedreigd te hebben de boel in elkaar te slaan daar. Uiteindelijk was hij te kalmeren door meneer Rood. Heel simpel…, met een boekje over vissen.
————————————————————————————-

Sophie blijft een nachtje logeren bij opa en oma.
Wij zijn heel verdrietig. Na negen jaar diepte-investering en superliefde moeten we Agam nu écht loslaten. En dat doet onbeschrijflijk pijn.

————————————————————————————

Agam belt elke avond om welterusten te zeggen. Zo ook vanavond.
“Hai mam, met Agam,” klinkt hij opgewekt.
We leven, welgeteld, een kleine vijf uur ná het vreselijke gesprek.
“Ik ben nu wel aan het idee gewend, hoor mam,” zegt hij, “Het is goed.”
Koos en ik kijken elkaar verbijsterd aan.
“Waar ga ik eigenlijk nu wonen? En wanneer ga ik daar heen?” gaat hij verder.
'Eh…,” stamel ik.
“Mag mijn fiets mee, mam, want die zou ik wel missen.”

De begeleiding heeft geen verdriet, of welke andere emotie dan ook, meer gezien bij Agam. Ook niet in de dagen daarna. Hij is wel aan het idee gewend, zegt hij.
Volgens het Triversum is zijn reactie, verdrietig genoeg, nog een overbodige bevestiging van zijn ernstige hechtingsstoornis.


Terug naar de dagboeken