Terug naar de dagboeken

Pure paniek

Toegevoegd op : 31 januari 2011 in het dagboek van Pleegmoeder Lotte

Ik vind kleine baby's lief, kwetsbaar en ontroerend. Net als -waarschijnlijk- 95% van de rest van de bevolking. En zo ging ik een paar weken geleden, met ál mijn ervaring, op de vrijdagen passen op het drie maanden oude dochtertje van een van mijn beste vriendinnen. Van te voren had ik al een soort knoop in mijn maag en vroeg me maar steeds af waarom. Ik wilde eigenlijk niet. Durfde niet. Als ze sliep stond ik de hele tijd naast haar te kijken. Of ze nog ademde.

Flashback 2009

Brian ligt in de box. Hij is geboren met 25 weken. We hebben hem drie weken geleden opgehaald van de afdeling neonatologie. Hij doet het goed, ondanks de nog steeds grote zorgen. Hij gedijt, ontspant en ik ben gek op deze héél kleine hummel.
Maar vandaag maak ik me zorgen. Grote zorgen en ik kan niet goed uitleggen waarom; het is een gevoel.
Het is woensdag, dus ik haal de kids om twaalf uur uit school en we lopen (en rijden er twee in de kinderwagen) naar huis met z’n vijven. Thuis bel ik de huisarts en vraag of ik mag komen met Brian. Met de hele kinderschare kom ik bezorgd aan. De arts ziet niet iets héél verontrustends, maar vindt wel dat hij wat moeizaam ademt. Hij regelt dat we ons eind van de middag mogen melden bij de kinderarts.
Weer thuisgekomen maak ik brood voor de kids en luister naar hen, maar mijn radar is volledig afgesteld op Brian. Ik schenk drinken in en kijk naar Brian, ik geef antwoord aan Agam en kijk naar Brian. Ik ga snel plassen, kijk naar Brian, en denk: hij is dood!
Ik graai hem uit de box en schuddel hem zachtjes heen en weer. Nee, nee! Ik wéét het, maar wil er niet aan; er is iets hélemaal niet goed! Hij is dood. Ik weet het, maar realiseer me ook; hij is pas écht net dood, dus hij kan nog weer leven.
Totale paniek slaat me om mijn hart. Ik wil dit niet! Ik wil nu wegrennen en doen of dit niet gebeurt.
Brian is niet alleen bleekwit, maar ook compleet slap. Ik blaas hem keihard in zijn snoet, maar dit helpt niks en ik pak de telefoon:
“112, waarmee kan ik u van dienst zijn; politie, brandweer, ambulance?” “Ambulance. Snel graag! Ik heb een heel jonge baby met een ademstilstand,” klinkt mijn stem duidelijk en bijna kalm, hoewel mijn hart het bijna begeeft.
“Mam? Ik heb mijn brood op. Mag ik een snoepje?” vraagt Sophie vanuit de kamer.
“Zometeen, Sophie. Niét zeuren,” hoor ik mezelf zeggen. De andere vier kinderen hebben nog steeds niks door.
Ik trek Brians sok uit en ga met mijn nagel hard over de onderkant van zijn voetje. Hij reageert niet.
Ik voel meer dan ik óóit gevoeld heb, en tegelijk voel ik niks, want daar heb ik geen tijd voor. “Mevrouw, u weet van de ramp?!” zegt de meneer van 112 paniekerig, “Er is een vliegtuig neergestort van Turkish Airlines bij Schiphol. Iedereen is daarheen. Ik heb geen ambulance nu! U zult zelf moeten reanimeren!”
Ik hoor de klank van zijn stem, ik hoor zijn paniek en dat is het énige wat ik nu niet erbij kan hebben. Bovendien kan ik niet reanimeren. Niet nu. Niét hem. Niet dit zó kleine kindje… “Stuur zo snel al je kan wél een ambulance óf de brandweer óf politie,” fluister ik, “Kom gauw!”
Ik hang de telefoon op, en ben alleen…, met een baby in doodsnood en drie andere kinderen. Als de paniek daar óók toe zou slaan, is alles verloren.
Ik sta in de keuken.
“Mamaaa, mag ik nou eindelijk een snoepje?” roept Sophie opnieuw.
“Sóphie,” zeg ik snijdend streng, “als ik je nog één keer hoor zeuren, ben ik boos.” Ik trek de andere sok van Brian uit en ga nogmaals venijnig met mijn nagel over zijn voetzolen. Hij ademt. Hij ademt eén keer… en dan zakt hij weer weg.
Ik loop naar buiten, de kou in. Geef hem lucht, geef Brian lucht!!
Ik ga weer, en weer over zijn voetzolen…, maar het mag niet baten.
Minuten gaan voorbij.
Dan komt de politie de hoek om zeilen. Ze remmen hard, en stappen uit.
“Wij kregen een hartstilstand door,” zegt de politie-agente, terwijl ze de auto uit vliegt. “Ja,” huil ik ondertussen bibberend.
“Maar niet van een baby!”, vloekt de vrouw tegen haar collega, terwijl ze het witte, slappe hoopje in mijn armen bekijkt.
De mannelijke agent neemt Brian van me over en ze vliegen naar binnen, trappen de salontafel opzij en ik tril ineens aan alle kanten en huil: “Hij doet het niet meer…”
Ik ben geschokt als ik zie dat dit óók mensen zijn. Zij weten het óók niet! Ik wil alléén maar dat ze hem maken!

Brian overleefde. Hij lag twee weken in het ziekenhuis en mocht er toen weer uit. Of hij terugmocht naar ons? Ja, dat mocht hij, na twijfelen en met angst en cursus reanimatie van de kinderarts.
Een maand later stierf Brian bijna opnieuw. Ook bij ons thuis. Maar nu kon ik hem daadwerkelijk beademen.

Ik heb er toch meer van overgehouden dan ik dacht.
Met vriendelijke groet,
Lotte


Terug naar de dagboeken