Terug naar de dagboeken

Politie

Toegevoegd op : 15 december 2014 in het dagboek van Pleegmoeder Lotte

Vorige keer schreef ik over mijn disbalans en vroeg om advies. Ik heb veel reacties gekregen: allemaal lief en uitgebreid. Ik heb uit elke mail wel iéts waardevols opgepakt. Mijn erge dank dus!

Helaas zit ik nog steeds wel thuis in de ziektewet. Ik weeg nu 57 kilo en dat is op zich niet compleet zorgelijk bij een lengte van 1.70m, maar mijn bouw is, normaal gesproken, erg gespierd en sportief, dus het is me wel aan te zien. Daarom moest ik toch aan de medische bijvoeding. Het is te hard en te snel gegaan. Ook mag ik eind december opnieuw onder het mes. Ik hoop met heel mijn hart dat het daarna minder pijnlijk en eenzaam zal worden. Mijn veerkracht is tanende. Ook doordat een dik half jaar in je eentje op de bank liggen je wel doet verpieteren. Ik zit opnieuw aan de oxycodon en de diazepam (om de spierspanning te verlagen). Ik mis het goudkleurige randje om mijn bestaan.

Aankomende week hebben we een gesprek over Agams vervolgtraject. Hij is nu van alle denkbare scholen afgestuurd en er is niks meer over. Dit was het: nét dertien jaar en van school af.
Hij gaat nu een soort dagbesteding volgen. Althans…, als ze hem daar denken aan te kunnen, maar dat horen we dus binnen een paar dagen.
Agam heeft de afgelopen twee maanden 'gesloten’ gewoond. De deuren waren dicht en hij had het strengste toezicht dat mogelijk is binnen zijn setting. Maar hij blíjft pas dertien jaar, dus iedereen heeft de neiging dat er weer af te gooien zodra het mogelijk is: hij verdient enige bewegingsvrijheid.
Op een mooie woensdag in december werd besloten dat hij, op het terrein, weer bewegingsruimte krijgt. Hij mag weer naar buiten en een balletje trappen, een rondje lopen of zich hang-animeren met zijn groepsgenoten.

Het is donderdagavond 21.30 uur. Koos en ik liggen al te slapen. Koos moet er om 04.30 uur uit voor werk en ik ben nog zoveel waard als een stuiver. Slaperig horen we een mobieltje afgaan met het deuntje van de groep van Agam. Dat is per definitie géén goed nieuws. Koos neemt op.
“Verdómme,” hoor ik hem na een paar seconde vanuit de grond van zijn hart zeggen, “Hij is echt net één dag weer wat vrijer!”
Ik ben snel wakker en kijk gespannen naar Koos.
“Ja, ok….,” zegt hij na een tijdje, “Laat ons alsjeblieft weten als je meer weet. Maakt natuurlijk niet uit hoe laat.”
Ik leg mijn hoofd terug op mijn kussen en staar naar het plafond. Koos legt zijn telefoon weg en doet hetzelfde.
“Welgeteld één dag iets meer vrijheid,” verzucht ik.
“Hij is al twee uur weg,” zegt Koos, “Vanuit voetbaltraining en hij is in zijn korte broek.”
Ik doe de tv aan en we kijken zeker tien minuten zonder een woord te zeggen.
“Stond ie al op de telex bij de politie?” vraag ik dan.
“Ja, nét,” antwoordt Koos.
Buiten giert de wind met windkracht 9 en regen en hagel wisselen elkaar af. In gedachte zie ik Agam in het pikkedonker in korte broek over straat zwerven.
Onze ervaring is, dat de politie hem nóóit vindt. Of ze zóeken vraag ik me zelfs af. Maar ja…, misschien is dat logisch als je zo’n koppie zó vaak op de telex ziet verschijnen.
Mijn grootste angst is soms, dat ze hem wél vinden…
“Ja, ik kan dus niet slapen, Koos. Sorry. Ik ga naar beneden.”
Aangezien dit vaste prik is, zegt Koos: “Kom gauw, zodra het kan.”
Koos kan ook niet slapen, maar ik moet ijsberen.

Als ik beneden ben, gaat de telefoon vrij snel. De politie heeft hem gevonden en hij is in orde. Hij is nog niet terug op de groep, maar ze wilden dit alvast laten weten. Ik bedank ze en we spreken af dat we morgenochtend contact hebben. Behalve als er toch iets ernstigs aan de hand blijkt. Dan wil ik graag dat ze ons vanavond nog bellen.
Ik kruip weer in bed en vertel Koos kort dat hij er weer is.
We vallen snel opnieuw in slaap.

Wéér dat deuntje van de telefoon.
Het is kwart voor elf nu. De groep belt opnieuw.
Agam heeft zich zéér onbeschoft gedragen bij zijn aanhouding. Dusdanig, dat de politie hem tegen de grond heeft gewerkt en dat ze een melding gaan maken tegen hem.
“...........”, zeg ik.
Ik ben geschokt als ik de details hoor. Geschokt over Agam.
Hoe snel kan het zó bergafwaarts gaan?

Twee minuten later zit ik wéér beneden. Ik probeer alles tot me door te laten dringen. Hoe kun je nét dertien jaar zijn en dat dit gebeurt in je leven?
Ik voel schaamte, die ik met rede weg probeer te drukken: wij kunnen hier echt niks meer aan doen.
Dan besef ik dat ik al wíst dat dit zou gebeuren als hij ooit gevonden zou worden door de politie. Wáárom wist ik dat? Wáárom was ik bang? Ik probeer het te bedenken.
Omdat hij zich terecht de klere schrikt dan. Omdat hij bang wordt. Omdat zijn enige manier om met angst om te gaan een agressieve is. Hij zal zich áltijd overschreeuwen met agressie als hij bang is. En daarin is hij grenzeloos. Er komt géén moment dat hij zich overgeeft. Als hij bang is, maakt het niet uit wie er tegenover hem staat: de Koning, de politie, de sterkste kooivechter. Hij is bang en dús vecht hij zich desnoods de dood in.

De volgende ochtend spreek ik telefonisch de agent die hem heeft aangehouden. De man is ontdaan. Hij geeft aan nog nooit te maken te hebben gehad met een jongen van die leeftijd die zó disrespectvol en blind van razernij was.
“Hij had mazzel dat hij een kleine opdonder is”, zegt hij, “Anders hadden we hem nog harder aangepakt. Ik heb weinig meegemaakt dat iemand zó het bloed onder mijn nagels vandaan haalde.”
Ik snap hem. Tuurlijk snap ik hem.
Het duurt maar kort voor ik écht in gesprek kom met deze agent. Ik geef aan dat wij slecht geslapen hebben door het hele verhaal en ik bied mijn excuses aan voor het gedrag van Agam.
De agent heeft echter dán de gave om mij de vragen te stellen die er wel werkelijk toe doen en hij wordt milder naarmate ik meer vertel.
“U zult het waarschijnlijk niet geloven na gisteravond, maar deze jongen heeft écht een goed hart, een goeie inborst. Afgelopen weekend was hij blij met elk sinterklaascadeau en nog het meest met zijn “foute Kersttrui”.”
We sluiten het telefoongesprek af en hij zegt: “Ik ga ons gesprek vastleggen en ben blij dat ik u gesproken heb. Mócht ik hem nog een keer treffen, zal ik proberen hem anders te benaderen.”

Ondanks alle goeie mensen op deze aardbol is het een hels karwei om Agam veilig te houden.
Ik weet ook niet of ons dat blijft lukken.

Lotte


Terug naar de dagboeken