Terug naar de dagboeken

Medicatie...

Toegevoegd op : 9 november 2009 in het dagboek van Pleegmoeder Lotte

Toen Agam met zijn vijftien maanden bij ons kwam, was hij een ingewikkelde peuter. Hij was ernstig verwaarloosd en werd geplaatst onder de term 'risicovolle pleeggezinplaatsing'. Hij was extreem angstig, had vreselijke driftbuien en kon hoofdbonken tot bloedens toe. Zijn zwarte ogen krijsten radeloosheid uit, maar hij hing ook tegen berusting aan. Ondanks al zijn driftbuien en paniek was hij apathisch.

Ik heb Agam wekenlang bij me gedragen in een draagzak. Hij gaf zich heel snel 'over’, want wij waren tenslotte – ineens – zijn nieuwe focus en zijn enige kans op overleven. Hij moest zich wederom aanpassen en was in de war van de nieuwe situatie die zo veilig en rustig leek. Maar Agam vertrouwde het voor geen meter. Hij klampte zich vast om vervolgens nooit meer los te laten.

De eerste twee maanden met Agam waren idyllisch. Hij was zo lief! Zo aanhankelijk! Zijn vreselijke eenkennigheid streelde ons als nieuwbakken pleegouders. En wij, wij hielden vanaf dag één zoveel van Agam, dat het in woorden niet te beschrijven is. Een 'klik’ is vreselijk belangrijk. En de klik met Agam was er overduidelijk.

Daarna begonnen de – ons voorspelde – driftbuien. Driftbuien die het gevolg waren van zijn vreselijke angsten, zo begrepen wij al snel. Driftbuien die niet te begrenzen waren, wat we ook deden. Mijn man Koos heeft nachtenlang met de kinderwagen buiten gelopen om Agam in slaap te krijgen. Agam durfde niets zonder ons, ook niet slapen. Hechtingsproblematiek ten top, zo weten we nu.

Toen Agam zes jaar werd, begon de situatie werkelijk onhoudbaar te worden. Hij kon zichtbaar niet meer meekomen met zijn leeftijdsgenoten omdat hij bang was voor heel veel dingen. Hij durfde niet buiten te spelen, niet naar de wc, niet naar boven, niet naar vriendjes en hij durfde zijn speelgoed niet te delen.
Die angst was heel naar, maar zijn reactie op zijn eigen angst was een vreselijk agressieve. Buitenshuis probeerde hij te overleven en zodra hij thuis was ontplofte hij verschrikkelijk. Het besef dat hij de grip op zijn leven kwijtraakte, maakte hem ziedend van angst. En ook nu was hij daar niet in te corrigeren. Dat wij probeerden hem dingen te laten doen die hij niet durfde, zoals een trap oplopen, maakte hem panisch en daardoor woedend. Alleen het woord 'trap’ of 'buiten’ was al genoeg om hem te laten flippen.

Agam was zes jaar en een paar maanden toen hij met een mes achter me aankwam. Dat was het moment dat wij beseften dat het écht niet meer zo verder kon. Ons leven draaide toen al erg lang om het beheersen van de driftbuien en de angst van Agam. We gingen akkoord met dát waar we heel lang tegenop zagen; medicatie. Koos en ik waren teleurgesteld in onszelf dat medicijnen nodig waren. Het voelde als falen. Met angst en beven gaf ik hem zijn eerste pilletje (Risperdal, een anti-psychoticum). Het zou volgens de kinderpsychiater twee weken duren voor het werkelijk zou werken.

De volgende ochtend maakte ik Agam wakker. Ik 'miste’ onmiddellijk de gebruikelijke paniek in zijn ogen. Ik had hem, realiseerde ik me geschokt, nog nooit zonder paniek gezien. Agam keek verbaasd. “Wat is er, Agam? Hoe voel je je?” vroeg ik lichtelijk angstig bij het zien van dit andere kind. “Mam?” fluisterde Agam verbaasd en voorzichtig lachend. “In mijn hart is de boze deur is ineens dicht. En mijn lieve deurtje staat helemaal open!”

Met vriendelijke groet,
Lotte


Terug naar de dagboeken