Terug naar de dagboeken

Levensvragen

Toegevoegd op : 13 oktober 2011 in het dagboek van Pleegmoeder Lotte

Agam en ik zitten in de wachtkamer van het Triversum. We hebben een kennismakingsgeprek met de psychiater die Agam nu verder zal volgen nu hij niet meer op de dagbehandeling zit. Het is voor Agam ook een beetje gek; hij heeft hier heel wat (voet)stappen gemaakt en nu zit hij in de wachtkamer en ziet veel bekenden. Allemaal vragen ze enthousiast hoe het met hem gaat. Hij antwoord – tussen verlegen en stralend – dat het héél goed gaat. Ik zit dat, trots knikkend, te beamen.

De nieuwe 'praat-dokter’ loopt uit en we moeten in totaal twintig minuten wachten. Agam zit wat uitgezakt tegen me aan, zijn hoofd tegen mijn schouder. Hij vertelt een verhaal over school. Ze hebben het over Anne Frank gehad en over vergassen. Heavy.
“Die Hitler had mij ook dood gewild, hè mam?” vraagt Agam.
“Hitler was een erge man, ja. Heel erg.”
“Omdat ik bruin ben?”
“Ja, omdat je bruin bent.”
“Ik had gewoon zijn pistool afgepakt en hem neergekald,” zegt hij stoer, “Wie wil mij nou dood?!”
“Niemand wil jou dood. En Hitler is nu gelukkig dood,” zeg ik.
Dan zegt Agam:“Mam, eigenlijk had Hitler toen óók een praat-dokter nodig. Én een heel potje van mijn nieuwe pillen per uur.”
Ik grinnik.

Dan gaan mijn gedachten terug naar ongeveer twee jaar geleden en ik krijg kippenvel. Ik zat toen op dezelfde plek in de wachtkamer met een jongere Agam. Een verknipte Agam, die totaal over zijn toeren en scheldend nauwelijks in bedwang te houden was. Onze zorgen waren op het hoogtepunt…., dáchten we toen. Een week later zat hij intern en op de dagbehandeling, waar hij anderhalf jaar zou blijven.
En kijk hem nu eens zitten: een relaxt, slim ventje met humor en een aaibaarheidsfactor. Wat ben ik een gelukkig mens!

Sophie gaat ook goed. Ze heeft haar draai gevonden in haar nieuwe klas (nóg een keertje groep drie) en is trots dat ze nu niet steeds als laatste klaar is met haar werkjes. Ze hoeft niet meer op haar tenen te lopen en dat is merkbaar. Wel was ze van de week, toen ik samen met haar in de auto zat, ineens zorgelijk.
“Mam..?” begon ze voorzichtig…
“Ja?”
“Ik durf het eigenlijk niet goed te vertellen…”
“Probeer het maar rustig dan… We hebben de tijd… Ik luister..,”
knik ik haar toe.
“Nou… Ik heb de laatste dagen pijn in mijn buik. Een soort getik,”
vertelt ze.
“O jee, dat is lastig,” zeg ik.
“En nu dénk ik… Of weet ik eigenlijk wel zéker…” stottert ze verder.
“Ja?” moedig ik haar aan.
“Dat ik in verwachting ben.”

Ik moet bíjna vreselijk hard lachen. Bijna. Natuurlijk doe ik het niet.
“Ik denk dat dat niet zo is, hoor Sophie. Je bent net een week zeven jaar en dan kun je nog geen babies in je buik hebben,” vertel ik.
“Jawel. Niet een grote baby zoals bij een groot mens, maar een héél klein babietje,” zegt ze zeker.
Ik kijk haar via de spiegel aan en vraag:“Maar hoe komt een baby in een buik dan? Weet je dat?”
“Ja, duh!” is haar antwoord.
“Wat nou duh?” zeg ik.
“Gewoon,” zegt ze, en kijkt naar buiten, “Zoals bij grote mensen.”
“Maar hoe gebeurt dat bij grote mensen dan?”
“Jij hebt altijd gezegd dat als ik het later heel graag wil, dat ik dan misschien wel een baby krijg.”
“Ja, dat klopt,” antwoord ik, “Láter, als je groot bent.”
“Ik ben gewoon bang dat ik het nú al te graag wil en dat er nu dus een baby in mijn buik zit.”

Ik adem uit…. Tijd voor voorlichting binnenkort.


Terug naar de dagboeken