Terug naar de dagboeken

Het verhaal van het kleine hondje

Toegevoegd op : 13 april 2012 in het dagboek van Pleegmoeder Lotte

Luister, lieve Agam, Ik heb een verhaal voor je geschreven. Speciaal voor jou.

Er was eens een klein, lief, bruin baby-hondje. Hij had een zwart vlekje bovenop zijn schouder en eentje nèt onder zijn linker oor. Zijn tandjes waren mooi wit en zijn ogen prachtig donkerbruin. Op zijn kopje had hij een klein honden-kuifje.

Het kleine baby-hondje was zijn ouders kwijtgeraakt in het bos en hij kon ze niet meer vinden. Hij was erg bang en alleen. Hij bibberde. Omdat hij nog veel te klein was om voor zichzelf te zorgen, gaven andere dieren hem soms wat eten. De grote beer bracht hem wat hondenbrokjes en gaf hem een likje over zijn snuitje. Het konijn gaf hem water en liet hem een nachtje in zijn nestje slapen. Toch bleef het baby-hondje alleen, bang en verdrietig.

Op een dag wandelde hij treurig naar de berg toen hij drie grote witte honden zag spelen. Ze lachten, kwispelden en blaften vrolijk naar elkaar. Het kleine hondje glimlachte en wilde wel meedoen, maar hij durfde niet goed. Hij bleef achter een boompje zitten om stiekem te kijken. Toen zag de grote, witte moederhond hem en liep naar hem toe: “Hallo, wat doe jij hier zo alleen?” vroeg zij vriendelijk. “Ik ben mijn ouders kwijt,” fluisterde het kleine mannetje. Ondertussen waren ook de vaderhond en hun grote zoon erbij komen staan. “Wil je met ons meespelen?” vroeg de vaderhond. Het kleine hondje durfde nog steeds niet goed, maar liep achter ze aan toen ze weer verder speelden.

Het spelletje was leuk, maar na een tijdje schrok het kleine hondje ineens. Wat was er met zijn staart?! Zijn staartje wiebelde en de kleine hond kon het niet tegenhouden. “Dat heet kwispelen,” zei de moederhond in zijn oor en ze gaf hem een lik, “Dat voelt fijn, hè?” “Ja,” antwoordde het kleine baby-hondje, maar eigenlijk wist hij niet goed wat hij ervan vond.

Na het spelen gingen ze eten en de drie witte honden deelden hun eten met het kleine hondje. Toen het eten op was, likte vaderhond de oren van zijn grote zoon schoon. De grote zoon zat te genieten en zijn ogen vielen een beetje dicht, zo moe was hij. Ineens voelde het kleine hondje dat moederhond ook zíjn oren aan het schoonlikken was. Hij wist dat ze het lief bedoelde, maar hij vond het maar kriebelen en eigenlijk wilde hij dat ze zou stoppen. Toen hij schoon was, mocht hij bij ze slapen. Ze lagen opgerold en tegen elkaar aan in het nest. De drie grote honden sliepen als een roosje, maar het kleine hondje lag wakker. Hij was dit niet gewend. Iedereen was zo dichtbij en zo lief. Hij wilde eigenlijk dat ze zouden opschuiven, zodat hij wat meer ruimte had. Maar ze bleven liggen en snurkten zachtjes.

De volgende ochtend werden ze wakker en waren weer vrolijk. Het kleine hondje had niet zo goed geslapen, maar probeerde zijn best te doen. Toen moederhond, na het eten, zijn oren weer waste, kwispelde zijn staartje niet. Hij hoopte dat ze snel klaar zou zijn.

Weken gingen voorbij en het kleine hondje hoorde er helemaal bij. Hij groeide, hij leerde hondendingen en speelde. Hij vond het wel heel moeilijk om ver bij moederhond vandaan te zijn, dus zorgde hij dat hij altijd een beetje in de buurt was. Moederhond zei wel eens: ”Heb ik honing aan mijn billen?! Ga eens wat doen. Hup!” Dan liep het kleine hondje een klein stukje weg, met zijn staartje tussen zijn pootjes. Maar al gauw was hij toch weer veilig en dichtbij moederhond.

Tóch…, als moeder- of vaderhond lief tegen het kleine hondje deden, kon hij het niet goed hebben. Hij werd er zelfs een beetje boos van. En op een dag, toen moederhond zijn oren waste na het eten, gromde het kleine hondje ineens naar haar: hij ontblootte zijn tanden, gromde en liep weg. Iedereen was erg geschrokken en vaderhond ook een beetje boos. Toen het kleine hondje eenmaal weggelopen was en weer een beetje alleen, vergat hij het al gauw en voelde zich beter. Hij kwam daarna vrolijk terug en was van plan verder de hele dag lekker achter moederhond aan te gaan lopen. Moeder – en vaderhond wilde er nog even over praten: ”Grommen tegen je moeder mag niet!” En als hij beloofde het niet meer te doen, zouden ze het goedmaken met een knuffel. Tijdens de knuffel moest het kleine hondje erg zijn best doen om niet weer te grommen, maar dat lukte hem.

Toch, in de weken daarna, gromde het kleine hondje steeds vaker. Hij gromde tegen moederhond, tegen vaderhond en tegen de grote zoon. Hij wilde het zelf ook niet, maar hij kon het niet tegenhouden. Vader – en moederhond waren bezorgd en gingen naar de oude olifant om om raad te vragen: “Wij houden héél veel van het kleine hondje. En het kleine hondje óók van ons,” zeiden zij, “Maar waarom lukt het dan niet? Waarom maken we zoveel ruzie?” De oude olifant dacht heel lang en diep na en zei: ”Het kleine hondje is al die liefde niet gewend.”

Vader – en moederhond besloten te proberen om minder te knuffelen met het baby-hondje. Ze wasten de oren van hun grote zoon elke avond, en van hun kleine hondje nu óm de avond. Hij moest wel schoon blijven, maar misschien kon iets minder schoon ook. Maar het kleine hondje blééf grommen. Soms ook op momenten dat vader – en moederhond er niks van snapten; wáárom gromde het kleine hondje nou zoveel?

Vader – en moederhond waren erg bezorgd en gingen naar de langste giraffe om om raad te vragen: “Wij houden héél veel van het kleine hondje. En het kleine hondje óók van ons,” zeiden zij, “Maar waarom lukt het dan niet? Waarom maken we zoveel ruzie?” De langste giraffe dacht heel lang en diep na en zei: ”Het kleine hondje is al die liefde niet gewend én hij denkt een beetje anders dan de meeste honden, omdat zijn hersens anders in elkaar zitten.”

Vader – en moederhond dachten hier heel erg over na. Wat konden ze doen? Ze probeerden het kleine hondje alle dingen extra goed en vaak uit te leggen, zonder hem teveel zijn oren te likken of te dichtbij elkaar te slapen in het nest. Maar het kleine hondje gromde tóch steeds vaker…, en vaker…, en vaker…., tót hij moederhond ook daadwerkelijk beet! Iedereen was erg in de war en verdrietig hierover. Oók het kleine hondje. Iedereen zag er al een hele tijd ongelukkig uit. Ze wilden wel…, maar het lukte niet.

Vader – en moederhond waren buitengewoon bezorgd en moe en gingen naar de wijze uil om om raad te vragen: “Wij houden héél veel van het kleine hondje. En het kleine hondje óók van ons,” zeiden zij, “Maar waarom lukt het dan niet? Waarom maken we zoveel ruzie?” De wijze uil dacht heel lang en diep na. Ook daarna was hij nog niet klaar en hij dacht nog verder. Toen pakte hij de pootje van vader- en moederhond en zei: ”Het kleine hondje is al die liefde niet gewend en hij zal er ook niet aan wennen. Én hij denkt een beetje anders dan de meeste honden, omdat zijn hersens anders in elkaar zitten.” “Dat weten we al héél lang,” zuchtte moederhond, “Maar wat kunnen we doen?!” Weer dacht de wijze uil meer dan een uur. “Elkaar een beetje loslaten en op dié manier heel veel van elkaar houden,” sprak hij, “Je kunt héél veel van iemand houden, die niet elke dag bij je is.”

Vader – en moederhond gingen zitten met het kleine hondje. Ze knuffelden hem niet, terwijl ze het vertelden, want ze wilden niet dat hij zou gaan grommen. Moederhond likte wel even kort zijn pootje. “Lief klein hondje van ons..,” begonnen ze, “Wij houden van je. Héél veel. En precies daarom moet je een klein beetje verder van ons wonen. Bij honden die goed voor je zorgen, maar niet elke avond je oren wassen. En die niet in je nest slapen. Wél met je spelen, maar niet knuffelen.” Het kleine hondje begon te grommen, heel hard.
Veel later:

Het kleine hondje is groot geworden. Zijn zwarte vlekjes heeft hij nog. Zijn kuifje staat fier overeind en zijn oogjes stralen een mooie straal. Het is vakantie. Hij gilt van het lachen. Zijn staartje kwispelt keihard.
Vaderhond stoeit met hem. Moederhond kijkt glimlachend toe. Het kleine hondje woont nu bij de andere honden, maar is ook regelmatig bij vader – en moederhond en zijn grote broer en zijn kleine zusje. Ze spelen en lachen. Na het eten wast moederhond zijn oren en kleine hond zit ontspannen te wachten tot ze klaar is. Echt leuk gaat hij dit nooit vinden,
maar zo af en toe kan hij het waarderen.

Want dit is wél zijn thuis en dat zal het áltijd blijven.


Terug naar de dagboeken