Terug naar de dagboeken

Gaat het?

Toegevoegd op : 14 mei 2012 in het dagboek van Pleegmoeder Lotte

Het is acht uur in de avond. We rijden door de stromende regen terug naar huis. De radio is uit. Het is stil. “Gaat het?, vragen we om de beurt af en toe aan elkaar. “Jawel..,” antwoorden we dan zachtjes.

Vanmorgen haalden we Agam op van de plek waar hij de afgelopen zeven weken zat. We hadden gerekend op een half uurtje rustig inpakken van al zijn spullen. Toen we om negen uur aankwamen, was hij op zijn kamer.
“Mam, pap, ik ben klaar. Gaan we?”
Tot onze stomme verbazing had hij álles in zijn eentje al ingepakt en stonden er vijf volle tassen kant en klaar. We konden het oppakken en gaan.
En dat hebben we ook gedaan.

We gaan nog even naar huis. Agam verzucht een paar keer dat hij blij is dat hij 'vrij’ is. De verhalen, die hij – ook later op de dag – vertelt over de plek waar hij was, doen ons ineenkrimpen.

We moeten anderhalf uur rijden naar zijn nieuwe huis. Onderweg wordt het Agam teveel en hij scheldt ons uit voor alles wat hij kan bedenken. Hij verwijt ons nalatigheid en dat we nooit van hem gehouden hebben. Hij wil om de haverklap weten hoe vaak hij ons zal zien en als we antwoorden, zegt hij dat het wat hem betreft al helemaal niet meer hoeft.
Hij is bang en dat is logisch. Wij zijn ook bang.
Af te leiden is hij niet, tót we een Magnum Gold voor hem kopen. Hij smikkelt aan zijn ijsje en zegt: “Ik weet dat jullie écht van me houden. Echt. Dat wéét ik.”

We gaan eerst naar zijn nieuwe school. Agam krijgt een korte driftbui voor de deur, maar stapt dan als een dappere met ons naar binnen. We praten en krijgen een rondleiding. Agams geduld wordt op de proef gesteld, dat zie ik wel, maar hij houdt zich goed.
Zodra we echter op het schoolplein staan, krijgt hij weer een driftbui. Hij omschrijft de meneer waar we net mee spraken op zijn eigen wijze en hij doet dat hard.
“Sssssst!!!!” zeggen we, en kijken geschrokken achterom of de deur wel achter ons is dichtgevallen.

Dan gaan we naar de plek waar hij gaat wonen. Als Koos en ik uitstappen op de parkeerplaats, klikt Agam zijn deur aan de binnenkant op slot. We zijn even bezig om die deur weer open te krijgen, want Agam houdt zijn hand stijf op het knopje en scheldt. Binnen doet hij netjes, behalve dat hij de mevrouw die ons op komt halen geen hand wil geven. Maar dat is natuurlijk een klein detail.

We zitten met z’n drietjes en vier andere mensen. We praten. Agam had gedreigd niet te gaan praten, maar dat is nou precies het enige dat hij nooit waar kan maken: hij praat, en praat. Het geeft een ontroerende aanblik, dat kletserige menneke.
Dan mag hij even met iemand van de leiding meelopen, zodat de volwassenen nog even zonder hem kunnen praten. Agam weigert. En als Agam weigert zoals hij nu weigert, dan weigert hij gewoon en dan gaat het verbaal niet lukken ook.

Ik doe nog een poging de orthopedagoog te laten zien hoe ingewikkeld dit is en schud wat opvoedkundige knappigheden uit mijn mouw. Maar Agam blijft zitten. Dat wist ik ook wel. Dit is precies het probleem.

Dit is precies het probleem…, denk ik ineens. Dus ik ben bereid mijn onmacht toe te geven. Dáárom zijn we hier namelijk. Ik kijk ze – vermoedelijk – wat hulpeloos aan.
“Mama of papa loopt even een klein stukje mee deze kamer uit, Agam,” zegt een meneer, tipgevend.
“Ik ga niet,” zegt Agam.
Ik sta op en pak zijn hand.
Hij trekt 'm terug.
Ik pak zijn hand nogmaals, praat streng, en houd 'm strak vast.
Agam krijgt vechtneigingen en ik voel me moe…, na al die jaren, en nu hier…
Dan staat Koos op en pakt zijn hand.
Agam trekt zijn hand terug en zegt een zeer lelijk woord.
“Kom op, gabbertje,” zegt Koos, “Ik ben twee meter en jij nog lang niet.”
Hij tilt hem uit zijn stoel en neemt hem mee naar buiten, alsof een kind van tien jaar niks is.

“Het is goed dat we dit even gezien hebben,” zegt de meneer, als ik nog zit te peinzen over het tafereel.
“Ja…”, zeg ik, “Dit is Agam bij ons. En ondertussen met álles: aankleden, tanden poetsen, naar school gaan, eten, douchen, naar bed gaan. Het moet fysiek…., maar dat is geen leven en ik red dat ook niet heel veel langer want hij wordt sterk en zwaar.”
De meneer begint, begrijpelijk, een uitleg over hun fysieke- interventie -protocol.

We mogen blijven eten en zullen daarna afscheid nemen.
Agam eet als een bouwvakker en kletst, met ons. De andere kinderen aan tafel kijken goed uit hun ogen: levendig. Dat is een grote troost voor ons: op Agams vorige plek zagen we slechts levenloze ogen, dode ogen, afgestompte kinderen. Agam ging keihard diezelfde kant op.

Bij het toetje wordt Agam paniekerig. Hij weet dat we zo gaan. Hij praat, stelt vragen en nog eens dezelfde vragen. Zegt dat hij van ons houdt en naar huis wil. Dat het echt, nu écht, beter zal gaan.

We nemen afscheid en hij raakt in paniek.
We geven aan de leiding aan, dat dit nu niet meer overgaat…, tót we weg zijn.
Wij kunnen hem op dit moment niet meer kalmeren.

Hij zwaait. Hij huilt. En gilt: “Mama, papa!!! Neeee!! Laat me niet alleen!!!”
We laten hem alleen.
We kunnen niks anders meer.

Het is acht uur in de avond. We rijden door de stromende regen terug naar huis. De radio is uit. Het is stil.
“Gaat het?”, vragen we om de beurt af en toe aan elkaar.
“Jawel…,” antwoorden we dan zachtjes.


Terug naar de dagboeken